De Utopie van de Mensenrechten

Inleiding

Sedert haar afkondiging in Parijs in het jaar 1948 heeft de Universele verklaring van de rechten van de mens (Parijs, 1948) op spectaculaire wijze carriëre gemaakt. Van een ronkende politieke intentieverklaring uit de nadagen van de Tweede Wereldoorlog is zij uitgegroeid tot het kerndocument van een moderne doctrine met een enorme invloed in juridische kringen. De juridisering van de mensenrechten via wetgeving, internationale en supranationale verdragen en regelgeving is nu vrijwel gemeengoed geworden, zozeer zelfs dat velen die mensenrechten als vanzelfsprekend zijn gaan beschouwen. Of dat een heilzame ontwikkeling is, staat echter niet buiten kijf. Kritische beschouwingen zijn er genoeg. Een daarvan is het thema van de volgende tekst.

Het gaat hier om wat ik 'het utopische karakter' van de heersende mensenrechtendoctrine noem, het idee dat mensen hun rechten niet ontlenen aan de realiteit van mens en wereld maar aan iets wat een bepaalde generatie in wel heel bijzondere omstandigheden als een 'universeel ideaal' heeft geproclameerd. Dat er zo'n universeel ideaal zou zijn, is op zich al een utopische gedachte, maar het utopisme van de mensenrechten gaat verder dan die enigszins vrijblijvende vaststelling. De Universele verklaring is een consecratie van een fundamentele verandering in het denken over mensen, hun samenleving en maatschappelijke organisaties. Om dat aan te tonen moeten wij een goed begrip hebben van wat de mensenrechtendoctrine ons voorhoudt en wat daarin het utopische karakter tot uitdrukking brengt. Een analyse daarvan geef ik in de eerste afdeling van deze tekst. In de tweede afdeling volgt een nadere beschouwing van het utopisme in het perspectief van de westerse wijsbegeerte van de menselijke wereld. Ten slotte bekijken wij de utopische wending in het denken die onze klassieke en zuinige natuurlijke rechten heeft bedolven onder een stortvloed van 'mensenrechten'. In die wending naar het utopisme zullen wij de filosofische grondslagen van de heersende mensenrechtendoctrine gemakkelijk kunnen ontwaren.

I. RETORIEK VAN DE MENSENRECHTEN

Een wonderbaarlijke vermenigvuldiging van rechten...

De belangrijkste innovatie van de Universele verklaring van de rechten van de mens (hierna UV) was de introductie van zogeheten 'sociale, economische en culturele rechten'. Oppervlakkig beschouwd was dat niet meer dan een uitbreiding van de fundamentele rechten van mensen die in eerdere verklaringen erkend waren. De Verklaring van de rechten van de mens en van de burger, afgekondigd door de Franse Nationale Vergadering in 1789, had melding gemaakt van natuurlijke en politieke of burgerlijke rechten. In 1948 kwamen daar dus sociale, economische en culturele rechten bij. Sedertdien hebben talrijke organisaties van de Verenigde Naties en bewegingen allerhande in beginselverklaringen, programma's en manifesten nog veel meer 'fundamentele rechten' afgekondigd.

Om een overzicht te behouden is men gaan spreken over 'generaties van mensenrechten'. Over de indeling in generaties bestaat er geen overeenstemming. Het volgende lijstje is dus alleen illustratief bedoeld. Natuurlijke rechten (leven, vrijheid, eigendom) zijn dan rechten van de eerste generatie. Politieke rechten (vrijheid van meningsuiting, kiesrecht, gelijkheid voor de wet) vormen de tweede generatie.1 De natuurlijke rechten zijn rechten van mensen als zodanig. De politieke rechten zijn rechten van burgers – dat wil zeggen de volwaardige leden van de ene of de andere staat. Zij zijn rechten op een bijzondere soort staatsordening.

De derde generatie levert ons de sociale, economische en culturele rechten van de UV. Onder die vlaggen komen rechten op werk, een adequaat inkomen, rust, ontspanning, een woning, gezondheidszorg, participatie in het culturele leven – kortom op een bijzondere soort sociaal, economisch en cultureel beleid.

In de vierde generatie vinden wij rechten die vooral op de ontwikkelingslanden van de Derde Wereld betrekking hebben maar die men toch als algemene mensenrechten voorstelt: dekolonisatie, zelfbestuur, internationale rechtvaardigheid en solidariteit (hulpverlening, goedkope leningen, reparaties voor koloniaal onrecht). Voor sommigen behoren daar ook bij de rechten van 'minderheden' en groepen die recent of vroeger slachtoffer van discriminatie of verwaarlozing [zouden] geweest zijn.2 Op die rechten maken dan bijvoorbeeld vrouwen, homoseksuelen, gehandicapten, allochtonen en kinderen aanspraak – exacter, georganiseerde groepen en bewegingen die zich als hun woordvoerders en pleitbezorgers opwerpen. Kortom, de rechten van de vierde generatie veronderstellen dat verschillen (inzake welvaart, inkomen, status, mondigheid, macht) onder landen, categorieën of groepen te herstellen consequenties van historisch onrecht zijn. Zij impliceren dat die landen, categorieën of groepen recht hebben op een voorkeurbehandeling, op 'positieve discriminatie',

De vijfde generatie behelst milieurechten, rechten op duurzame ontwikkeling en voorzorg, biodiversiteit en zelfs de erkenning van de rechten van dieren en planten, zeldzame soorten, bijzondere biotopen, landschappen enzovoort. Het gaat hier om rechten op een bepaald soort planetair management.

Hoe het ook zit met de indeling van wat men ons als fundamentele rechten voorschotelt, er zijn blijkbaar weinig dingen waar mensen geen recht op hebben. Zij hebben blijkbaar recht op ongeveer alles wat zij begeren, althans wat de stemmingmakende segmenten van de publieke opinie als 'goed' of 'politiek correct' bestempelen.

Met die vaststelling zitten wij meteen in de sfeer van het utopisch denken. De idee van 'rechten' – in tegenstelling tot bijvoorbeeld 'begeerten' of 'gunsten' – impliceert immers dat rechten een coherente orde (een rechtsorde) vormen. Dat wil zeggen dat het mogelijk is alle rechten tegelijkertijd te respecteren. Voor de moderne mensenrechten is dat echter nu en in de voorzienbare toekomst niet mogelijk. De een geven waar hij recht op heeft' – bijvoorbeeld een woning of goedkope toegang tot ontspanningsmogelijkheden of cultuurtempels – gaat onvermijdelijk ten koste van schaarse middelen. Die middelen zijn dan niet meer beschikbaar om anderen gezondheidszorg, groene ruimte of goedkoop onderwijs te geven – dingen waar zij recht op hebben. Dat is een onvermijdelijk gevolg van de schaarste. Kort gezegd, de moderne mensenrechten en schaarste gaan niet samen. Alleen in Utopia, waar het probleem van de schaarste opgelost is, kunnen de mensenrechten gerealiseerd worden. Vandaar de titel van deze lezing: de utopie van de mensenrechten.

Het utopische en politieke karakter van de mensenrechten

Wij noteren onmiddellijk twee implicaties van de spanning tussen schaarste en mensenrechten. Ten eerste, zijn de mensenrechten in Utopia wel realiseerbaar dan zijn zij er ook overbodig. Dat aldaar de schaarste overwonnen is, betekent immers dat de bewoners van Utopia al hebben wat zij begeren – waar zij dus recht op hebben. Ten tweede, buiten Utopia, in 'het rijk van de schaarste', zijn mensenrechten geen bron van orde maar van conflicten. Het gaat dan in het bijzonder om politieke conflicten over de controle van de mensen en de instellingen die belast zijn met de allocatie en rantsoenering van schaarse middelen.

Het mensenrechtendiscours is een universele strijdzang op de tonen waarvan bewegingen, partijen, staten en soms ook gewapende bendes en legers tegen elkaar optrekken. De in rozengeur en maneschijn badende 'mensenrechten' van de ene zijn voor anderen sinistere, particuliere groeps-, klassen-of nationale belangen. Dat, buiten Utopia, mensenrechten bronnen van politieke conflicten zijn, laat zich overigens licht verklaren. De centrale vraag is immers: Wie zal beslissen welke, of wiens, begeerten ('mensenrechten') eerst en in welke mate zullen bevredigd ('gerespecteerd') worden?

Op die vraag zijn onbeperkt veel antwoorden mogelijk. Er is echter een antwoord dat a priori uitgesloten is, namelijk het antwoord dat stamt uit de tijd voor de uitvinding van de moderne mensenrechten: Iedereen heeft het recht voor zichzelf te beslissen in welke volgorde of mate hij zijn begeerten met zijn middelen zal trachten te bevredigen, onverminderd de rechten van anderen. 'The right to the pursuit of happiness' noemde Thomas Jefferson3 dat recht om op eigen verantwoordelijkheid en met eigen middelen – dus niet ten koste van anderen – het geluk na te streven. Het was geen conflictgenererend recht omdat het geen aanspraken op andermans persoon of middelen impliceerde.

De moderne mensenrechten bestaan evenwel uit niets anders dan dergelijke aanspraken, al wordt dat doeltreffend verhuld doordat men rechten niet meer opvat als de fundamentele structuren van relaties tussen mensen. De mensenrechten zijn op de eerste plaats 'morele aanspraken' die 'de politiek' – de staat, meer en meer ook het netwerk van internationale bureaucratieën – moet proberen te beantwoorden met gepast beleid. Kortom, mensenrechten veronderstellen het bestaan en de werkzaamheid van een politiek georganiseerde maatschappij. Zij zijn maatschappelijke rechten, geen rechten van mensen als zodanig maar van de cliënten van een met politieke middelen georganiseerd systeem van voorzieningen. Dat systeem moet er maar voor zorgen dat zij alles krijgen wat zij voor hun 'geluk' nodig hebben. Dat betekent dat iedereen er recht op heeft dat de politieke overheden in zijn belang andere mensen belasten en aan wettelijke en beleidsregels onderwerpen. Het betekent ook dat niemand het recht heeft zich aan dergelijke belastingen en reguleringen te onttrekken, ook als hij zou afzien van zijn belastingaanspraken op anderen.

Daar ligt de politieke potentie van het mensenrechtendiscours. Het houdt een naar historische maatstaven ongehoorde machtiging in van het politieke bedrijf. De 'klassieke' rechtsstaat werd geacht zijn legitimiteit te ontlenen aan zijn dienstbaarheid aan het recht – de rechtsorde van mensen die in vreedzame samenleving met anderen met eigen middelen en op eigen verantwoordelijkheid hun geluk nastreven. De moderne staat ontleent zijn legitimiteit aan zijn dienstbaarheid aan de mensenrechten – aan zijn vermogen om langs politieke weg schaarse middelen bij de ene groep weg te nemen om ze aan een andere toe te wijzen. Ook die legitimiteitvoorwaarde baadt in een utopisch licht. Utopia is een maatschappij waar alles goed geregeld is, weliswaar niet volgens de algemene rechtsbeginselen van vrijheid, gelijkheid en persoonlijke verantwoordelijkheid maar volgens een perfect uitgekiend maatschappelijk beleid. Utopia is de plaats waar het beleid geen weerstand meer ondervindt. Buiten Utopia ligt dat uiteraard anders.

Met het mensenrechtendiscours kan men elke weerstand tegen het nationale beleid voorstellen als een aantasting van het ene of het andere, door de politieke agenda bepaalde, prioritaire mensenrecht. Tegelijkertijd geeft dat discours de politieke oppositie alle retorische middelen in handen om het nationale beleid aan te vallen met een agenda die andere mensenrechten prioriteit geeft. De mensenrechten leiden zo tot een verscherpte politisering van alle menselijke relaties. In zo'n omgeving komt het erop aan bijzondere mensenrechten zodanig veel gewicht te geven dat zij andere mensenrechten kunnen overtroeven.

Recht op willekeur

Een voorbeeld van de weging van mensenrechten vinden wij in de basisdocumenten van de Wereldgezondheidsorganisatie, een onder auspiciën van de Verenigde Naties opgerichte technocratie. In de preambule van haar 'constitutie' vinden wij de volgende utopische definities van gezondheid en het recht op gezondheid.

"Gezondheid is eentoestand van volledig fysiek, mentaal en sociaal welzijn en niet slechts de afwezigheid van ziekte of letsel.
Het genot van de hoogst bereikbare maat van gezondheid is een van de fundamentele rechten van iedere mens zonder onderscheid van ras, religie, politieke overtuiging, economische of socialesituatie."

Wat valt er buiten een zo breed begrip van 'gezondheid'? Wat moeten wij ons bij 'de hoogste bereikbare maat van compleet welzijn' voorstellen? Is de laagste bereikbare maat van compleet welzijn niet genoeg? Nuchter beschouwd zijn de gegeven definities retorische nonsens, maar het is wel de nonsens in een fundamenteel statuut. De functie van zo'n statuut, zeker voor een gespecialiseerde instelling als de WGO, is bevoegdheden afbakenen, maar hier valt er niets buiten het afgebakende gebied. De WGO maakt aanspraak op interventierecht in alle kwesties en op onbeperkte middelen om haar utopische doelstelling te realiseren. Een ander voorbeeld is het zogeheten voorzorgbeginsel waarvoor sedert korte tijd eveneens de status van fundamenteel mensenrecht wordt opgeëist. In het Verdrag van Amsterdam wordt dit 'beginsel' als volgt geformuleerd:

"De afwezigheid van zekerheid, gegeven onze huidige wetenschappelijke kennis, mag geen reden zijn om niet on middellijk maatregelen te nemen om het risico te voorkomen van grote en onomkeerbare schade aan het milieu, tegen een aanvaardbare kostprijs."4

In die formulering is het voorzorgsbeginsel een vuistregel. De Europese Commissie houdt zich dan ook aanbevolen om daaromtrent 'richtlijnen' te formuleren.

"Het Verdrag geeft geen definitie van het voorzorgbeginsel; het schrijft het slechts een keer voor – ter bescherming van het milieu.In de praktijk is de toepaing ervan echter veel ruimer. Dat is in het bijzonder het geval wanneer er op basis van voorlopige, objectieve wetenschappelijke evaluaties redelijke gronden lijken te zijn voor bezorgdheid dat mogelijk gevaarlijke effecten ophet milieu en de gezondheid van mensen, dieren en planten onverenigbaar zouden kunnen zijn met de hoge graad van bescherming die voor de Gemeenschap gekozen is."5

Wij laten hier buiten beschouwing dat voorkomen niet altijd beter is dan genezen. Voorzorg impliceert vaak risico en kosten die zwaarder zijn dan dat waartegen men zich wil verzekeren. Afgezien daarvan, wat valt buiten het bereik van op 'voorlopige evaluaties' gebaseerde 'bezorgdheid' [van wie?] over 'potentieel' gevaarlijke effecten die 'mogelijk' onverenigbaar zijn met een gekozen [door wie?] 'hoge' graad van bescherming [tegen wat?] van de gezondheid van het milieu, mensen, dieren en planten? En dat zijn dan nog maar de criteria die 'in het bijzonder' gelden! Uiteraard zal de Commissie zich ook wel uitspreken over de vraag, welke kostprijs 'aanvaardbaar' is. In haar interpretatie is het voorzorgbeginsel een vrijbrief voor willekeur in het politieke en administratieve gebruik van statistieken.

De schaamteloze machtsaanspraken van de WGO en de Commissie (en andere technocratische burocratieën) zouden ongetwijfeld op meer skepsis stuiten – wellicht nooit in fundamentele documenten terechtgekomen zijn – als zij niet achter de mensenrechtelijke sluier schuil zouden gaan.

Mensenrechten versus natuurlijke rechten

Wij zouden nu een goed woordje voor de mensenrechtenindustrie kunnen doen. Is het niet zo dat er onder al de excessen toch essentiële en 'klassieke' rechten zitten – het recht op leven, op vrijheid, op eigendom? Dat zijn toch rechten die al eeuwen in de plechtige rechtenverklaringen opgenomen zijn, of niet? Het antwoord op die laatste vraag is echter negatief. De moderne mensenrechten op leven, vrijheid en eigendom zijn niet de klassieke rechten die wij van oudsher kennen.

Laten wij even naar de Verklaring van de rechten van de mens en de burger kijken, het manifest van de Franse revolutie (1789), en haar vergelijken met de Universele verklaring van de rechten van de mens (1984), het manifest van de moderne mensenrechtendoctrine. In de UV werd geen moeite gespaard om continuïteit met het verleden te suggereren. De eerste zinnen van de preambule zijn een bijna letterlijk citaat uit de Verklaring van 1789. Het verschil zit in de toevoeging van een citaat van Franklin D. Roosevelt.6 Zijn 'four freedoms', in het bijzonder de 'freedom from fear' en de 'freedom from want', drukken de utopische geest van de UV uit. Zij zijn niet terug te vinden in de Franse Verklaring, die geheel van utopisme gespaard bleef.

De poging om continuïteit te suggereren blijkt ook wanneer wij in beide verklaringen het eerste artikel lezen. Daarin staan 'vrijheid' en 'gelijkheid in rechten' centraal. Een verschil is de retoriek van 'waardigheid' en 'broederschap' in de jongere verklaring. Zij dook pas in 1848, op het hoogtepunt van een golf van nationalistische en socialistische agitatie, in de Franse constitutionele teksten op. Belangrijker is dat de Verklaring van 1789 stelt dat mensen van bij hun geboorte vrij en gelijk in rechten zijn en blijven. Dat 'blijven' is in de UV verdwenen. Het kon daar ook niet staan omdat, buiten Utopia, de politieke overheden zoals alle andere mensenrechten ook vrijheid moeten rantsoeneren volgens de prioriteiten van het nationale beleid.

Universele verklaring van de rechten van de mens (1948)

Verklaring van de rechten van de mens en de burger (1789)

Overwegende, dat terzijdestelling van en minachting voor de rechten van de mens geleid hebben tot barbaarse handelingen, … en dat de komst van een wereld, waarin de mensen vrijheid van meningsuiting en geloof zullen genieten, en vrij zullen zijn van vrees en gebrek, is verkondigd als de hoogste verzuchting van iedere mens;

1. Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij… behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.

3. Een ieder heeft recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van zijn persoon.

17. Een ieder heeft recht op eigendom, hetzij alleen, hetzij tezamen met anderen.

De afgevaardigden van het Franse volk … beschouwen onwetend­heid, vergetelheid en minachting betreffende de rechten van de mens als de enige oorzaken van onheil in het openbare leven en de verdorvenheid der regeringen.

1. Van bij hun geboorte zijn en blijven mensen vrij en gelijk in rechte.

2. Het doel van iedere politieke vereniging is het behoud van de natuurlijke en onvervreemdbare rechten van de mens; deze rechten zijn de vrijheid, de eigendom, de veiligheid en het verzet tegen onderdrukking.

4. De vrijheid bestaat erin, alles te kunnen doen wat een ander niet schaadt. ….

5. De wet heeft slechts het recht handelingen te verbieden, die schadelijk zijn voor de samenleving.

Wij noteren ook dat de UV geen gewag maakt van het verschil tussen 'mens' en 'burger'. Zij gooit de rechten van mensen en de rechten van de burger op een hoop. In de oudere Verklaring stond nochtans dat de burger en zijn rechten niet meer waren dan instrumenten, artificiële middelen, om de rechten van mensen te vrijwaren. Voor de UV zijn mensen echter burgers: 'een nationaliteit' en 'een rechtspersoonlijkheid' zijn fundamentele mensenrechten, alhoewel zij alleen bij wet kunnen toegekend worden. De mens 'in mensenrechtelijke zin' is blijkbaar een creatuur van de wet.

De Verklaring van 1789 gaf in haar art.4 een uitdrukkelijke en klassieke definitie van vrijheid. Art.5 vermelde de logische consequentie daarvan voor de beperking van de bevoegdheid van de wetgevende macht. Niets daarvan is terug te vinden in de UV. Zij veronderstelt dat de wetgevende macht 'soeverein' oordeelt over de prioriteiten van het beleid en de mensenrechten die het dient. Vrijheid, eigendom, ontspanning, huisvesting, werkzekerheid, cultuurgenot – het zijn alle goederen die de overheid dient toe te wijzen en te rantsoeneren omdat mensen er 'recht op hebben'.7 Dat 'recht hebben op' is de standaardformule in de UV; zij staat niet in de oudere Verklaring.

Precies daar, in de formulering van de ter discussie staande rechten zelf, zit het belangrijkste logische en dus ook filosofische verschil. De Verklaring van 1789 noemt in haar art.2 vrijheid en eigendom 'natuurlijke en onvervreemdbare rechten'. De UV gewaagt niet langer van natuurlijke rechten. Zij stelt ook niet dat vrijheid en eigendom rechten van natuurlijke personen (mensen) zijn. Integendeel, zij stelt dat mensen recht hebben op vrijheid en eigendom. Er is echter een groot verschil tussen iets dat mijn recht is en iets waar ik recht op heb.

Volgens de oudere Verklaring zijn mijn leven, mijn vrijheid en mijn eigendom mijn recht. Beslissingen daarover komen rechtens aan mij toe omdat zij de concrete uiting zijn van mijn fysiek bestaan als natuurlijke persoon – als 'animal rationis capax' om het met Swift te zeggen. Ik heb bijgevolg een rechtsgeldige aanspraak op mijn leven, mijn eigendom, mijn vrijheid omdat die dingen mijn recht zijn. Ik heb die aanspraak tegenover om het even wie beslag zou [willen] leggen op mijn leven, vrijheid of eigendom. Volgens de UV heb ik evenwel slechts aanspraken – die zij 'rechten' noemt – op leven, op vrijheid en op eigendom. Op wiens leven, vrijheid en eigendom ik dan wel recht zou hebben, dat staat er niet bij. Dat zou ook niet kunnen. Buiten Utopia is de distributie van vrijheden, eigendommen en levenskansen immers een beleidskwestie. U hebt er recht op dat de overheid u niet bewust of onbewust vergeet; ik heb er evenwel recht op dat zij desnoods beslag legt op uw leven, eigendommen en kansen om mijn mensenrechten te realiseren.

Kortom, volgens de mensenrechtendoctrine hebben mensen geen rechten, alleen aanspraken. Dat zijn dan evenwel aanspraken die zij niet kunnen aanvoeren op grond van hun klassieke rechten, hun leven, vrijheid of eigendom. De grondslag van de mensenrechten is een geheel andere dan die van de klassieke rechten. Dat wil zeggen, mensen 'in mensenrechtelijke zin' zijn wezens van een andere soort dan die waar de Verklaring van 1798 het over had.

De vergelijking tussen de huidige mensenrechtendoctrine en de klassieke leer van de natuurlijke rechten van de Verklaring van 1789 wijst op een grondige verschuiving in het denken over mensen. De Franse Verklaring bepaalde, geheel in overeenstemming met de klassieke opvattingen, wat de rechten van mensen zijn. Die rechten waren aanwijsbare, bestaande dingen, reële eigenschappen van reële mensen. In de UV worden de mensenrechten daarentegen opgehangen aan iets wat in navolging van een controversiële Amerikaanse President als verzuchting – 'de hoogste verzuchting van ieder mens' – werd afgekondigd. Die rechten zijn niet noodzakelijk bestaande dingen maar wensen: al dan niet bestaande dingen waarvan men mag vermoeden dat iedereen ze wel graag zou willen hebben, zeker als ze op andermans kosten worden aangeboden. De consecratie van die transformatie van het recht is de ware betekenis van de UV – de triomf van de utopische verbeelding over de nuchtere realiteitszin van de Westerse juridische traditie. Van een objectief beschrijfbare bestaanswijze die men al dan niet respecteert, wordt het recht een arbitrair subjectief ideaal. Het wordt een norm die om gehoorzaamheid en implementatie vraagt om geen andere reden dan dat hij aan een 'verzuchting' beantwoordt.

II. UTOPISME: FILOSOFISCHE PLAATSBEPALING

Het raadsel van de geschiedenis

Er is in de UV dus iets anders aan de hand dan een 'uitbreiding' van onze rechten. Om haar betekenis te duiden moeten wij te rade gaan bij de westerse filosofie van de menselijke wereld. Haar fundamentele probleem – het 'raadsel van de geschiedenis' – is het gegeven dat ondanks de evidente voordelen van vreedzaam samenleven, conflicten en oorlogen de geschiedenis van de mensheid kenmerken. Iedereen wil orde maar wanorde is nooit veraf. Wat zijn daar de oorzaken van? Welke remedies zijn beschikbaar om daar wat aan te doen? Waar moeten wij het utopisch denken situeren in een filosofische typologie van opvattingen over orde in de menselijke wereld? Laten wij proberen die vragen kort te beantwoorden.

Dat conflicten zo alomtegenwoordig zijn wekt de suggestie dat haar oorzaken ingebed liggen in de 'condition humaine' zelf. Er is een veelheid ('pluraliteit') van mensen, die ieder voor zich een eigen leven proberen te leiden, handelen naar eigen inzichten in de hoop hun eigen doelstellingen te realiseren. Die doelstellingen en levensvisies zijn vaak heel verschillend – er is 'diversiteit' van doelstellingen. Evenwel hebben mensen voor de verwezenlijking van hun doelstellingen middelen nodig (al was het maar hun lichaam). Meestal bieden de beschikbare middelen echter niet de mogelijkheid om alle doelstellingen te realiseren – er is 'schaarste' van middelen. Bovendien zit de wereld zo in elkaar dat middelen die beschikbaar zijn voor de ene persoon meestal ook relatief gemakkelijk toegankelijk zijn voor anderen. Een horloge wijst dezelfde tijd voor zijn eigenaar als voor de dief die het gestolen heeft; land is even vruchtbaar voor de veroveraar als voor de ontginner ervan. Kortom, er is 'vrije toegang' tot de schaarse middelen.

Zonder in details te treden: de vier genoemde factoren – Pluraliteit, Diversiteit, Schaarste en Vrije Toegang – zijn afzonderlijk noodzakelijke en gezamenlijk voldoende voorwaarden voor de alomtegenwoordigheid van conflicten. Vooral het feit dat zij, ieder op zich genomen, noodzakelijke voorwaarden zijn, is van belang. Het betekent dat de beheersing, a fortiori de eliminatie, van een van die factoren volstaat om het probleem uit de wereld te helpen, althans van zijn scherpe kanten te ontdoen.

Daaruit volgt dat er vier 'zuivere' strategieën8 van conflictbestrijding zijn: Eenheid (eliminatie van pluraliteit), Consensus (eliminatie van diversiteit), Overvloed (eliminatie van schaarste) en Eigendom (eliminatie van vrije toegang). Zij komen overeen met de 'sterke posities' in de Westerse traditie van de wijsbegeerte van de menselijke wereld. Wij vinden ze bijvoorbeeld bij Plato en Hobbes (eenheid), Aristoteles en Rousseau (consensus), de Cynici en Marx (overvloed), de [meeste] Sofisten en Locke (eigendom). Dit summiere lijstje maakt al duidelijk dat ieder van die posities in de loop van de tijd met heel verschillende argumentaties verdedigd werd. De verdediging ervan berust inderdaad altijd op fundamentele overtuigingen over hoe de menselijke wereld in elkaar zit, wat daarin mogelijk en wenselijk is. Zij kan gebruik maken van verschillende combinaties van opvattingen over de realiteit, de werkelijkheid, de wenselijkheid en de beheersbaarheid van de diverse factoren.

Wij kunnen de vier types van oplossingen ordenen volgens hun logische implicaties voor het probleem van menselijke conflicten. Wij houden daarbij rekening met de effecten van de eliminatie van een conflictoorzaak op de andere oorzaken. Op die schaal is overvloed de radicaalste oplossing omdat werkelijke eliminatie van schaarste betekent dat van de andere factoren (pluraliteit, diversiteit, vrije toegang) geen dreiging meer uitgaat. Niets gaat ten koste van iets anders; er is hoe dan ook genoeg voor iedereen. Eenheid daarentegen impliceert wel onderdrukking van pluraliteit, diversiteit en vrije toegang maar blijft bedreigd door de schaarste. De 'leider' – bijvoorbeeld Plato's koning-filosoof of Hobbes' soeverein – kan immers nog altijd verkeerde keuzes maken, waarvan de kosten de baten verre overschrijden. De consensusoplossing impliceert de eliminatie van diversiteit en vrije toegang maar blijft bedreigd door de schaarste en de pluraliteit. Ook een consensusbeslissing kan verkeerd blijken te zijn en er is geen garantie dat een consensus in elk geval gevonden wordt. De eigendomsoplossing beoogt alleen de beperking van de factor 'vrije toegang'. Zij laat schaarste, pluraliteit en diversiteit ongemoeid. Zij stelt dus minder eisen dan elk van de andere oplossingen maar wordt ook van meer kanten bedreigd.

Overvloed biedt dus, althans in theorie, de compleetste oplossing van het raadsel van de geschiedenis, maar zij is ook de minst 'realistische'. Er zijn immers geen historische voorbeelden van min of meer succesrijke eliminaties van de schaarste. Dan volgen eenheid en consensus, twee veel voorkomende politieke ordeningsbeginselen, die her en der met wisselend succes en duurzaamheid werden toegepast. Eigendom, ten slotte, lijkt althans in theorie de meest kwetsbare oplossing maar heeft, alles bij elkaar genomen, een indrukwekkende geschiedenis. Het is de enige oplossing die zich als het ware spontaan aanbiedt telkens wanneer experimenten met op eenheid of consensus gebaseerde organisaties faliekant aflopen.

Politieke en economische oplossingen

Zowel eenheid als consensus impliceren een reductie van de veelheid van individuele handelingen tot één collectieve handeling. Die handeling is de uitdrukking van de wil of de wijsheid van de ene gezagvoerder of van de allen omvattende consensus. Dat betekent dat zij het bestaan veronderstellen van een gesloten gemeenschap of maatschappij waarin een uniek gezagsprincipe geldt – een polis, rijk of staat. Zij zijn daarom typisch 'politieke oplossingen', waarbij mensen als leden van de maatschappij verplicht zijn haar 'wetten' te gehoorzamen.

Van een reductie tot een collectieve handeling is geen sprake bij de overvloeds-en de eigendomsoplossingen. Zij zijn typisch 'economische oplossingen'. Geen van beide veronderstelt een maatschappij die haar leden aan georganiseerde controle onderwerpt om erop toe te zien dat zij binnen de marges van de collectieve beslissingen blijven. Beide zijn asociaal in de zin waarin 'sociaal' een synoniem is voor 'maatschappelijk'. Hun orde is de vreedzame coëxistentie of samenleving van mensen.

'Politieke' denkers zijn geneigd samenleving en maatschappij systematisch met elkaar te verwarren, althans de eisen van een bepaalde maatschappij zwaarder te laten wegen dan die van het samenleven. Het excuus daarvoor is vaak de stelling dat samenleving hoe dan ook alleen mogelijk is binnen een goedgeordende maatschappij, dus onder de leden van dezelfde maatschappij. De prioriteit van het politieke en maatschappelijke impliceert dat orde tot stand komt door de kundige organisatie van sociale posities, rollen en functies. Uiteraard is ook een doorgedreven 'socialisatie' nodig van het voor de maatschappij beschikbare Menschenmaterial. In zo'n organisatie zijn mensen immers hoogstens als plaatsbekleders en functionarissen relevant. De maatschappij moet hen ertoe brengen zich zo volledig mogelijk te identificeren met hun maatschappelijke positie of functie. 'Human resources management' (in de oudere literatuur heet dat 'opvoeding en maatschappelijke vorming') is essentieel om de 'menselijke factor' te controleren en aan de geldende maatschappelijke regelingen te binden. Die maatschappelijke regelingen vormen 'het positieve recht' van een politieke maatschappij. Het rechtsfilosofische 'positivisme' is de opvatting dat 'het recht' weinig of niets meer is dan de regelmatige aanpassing, toepassing en afdwinging van dat positieve recht. Kortom, het recht is de politieke organisatie van een maatschappij. De rechten die mensen hebben in een maatschappij corresponderen met de taken, bevoegdheden en verplichtingen van de posities en functies die zij daarin bekleden of uitoefenen. Strikt genomen zijn dat geen rechten van mensen maar maatschappelijke constructies die van maatschappij tot maatschappij heel verschillend kunnen zijn.

Voor 'economische denkers' zijn maatschappijen menselijke creaties die als zodanig ook aan de eisen van het samenleven van mensen moeten beantwoorden. Die eisen liggen niet vervat in een willekeurig organisatieschema. Zij zijn vaststellingen naar aanleiding van de vraag hoe mensen, ongeacht hun eventuele positie of functie in de ene of de andere maatschappij, vreedzaam met elkaar kunnen samenleven. Zij worden dus bepaald door de 'natuur der dingen', in het bijzonder de menselijke natuur. De samenleving van mensen is de natuurlijke rechtsorde – het natuurrecht of de orde van natuurlijke personen als zodanig.

Voor 'economische denkers' is niet de socialisering van mensen maar de humanisering van maatschappijen de eerste zorg. Dat is duidelijk voor economische oplossingen die eigendom (eliminatie van 'vrije toegang') centraal stellen. Maatschappelijke organisatie houdt geen legitimatie in van bijvoorbeeld belasting of dwingende regulering van anderen. Dergelijke daden zijn immers handelingen waarmee sommigen zich 'vrije toegang' verschaffen tot de persoon of de eigendommen van anderen. Als zodanig zijn zij schendingen van het natuurlijke recht van die anderen, die niet als gelijken maar als minderen behandeld worden – niet als mensen maar als middelen.

Voor economische oplossingen die overvloed (eliminatie van schaarste) centraal stellen, is maatschappelijke organisatie zelfs ongewenst, althans zolang zij een bron van dwang en frustraties is. Alleen maatschappijen die geen enkele beperking opleggen aan hun leden, hen integendeel van alle beperkingen bevrijden, zijn verenigbaar met de overvloedoplossing. Kortom, die oplossing geeft alleen utopische maatschappijen bestaansrecht.

De volgende tabel geeft een overzicht van de belangrijkste verschillen tussen economisch en politieke denkwijzen.

Politieke oplossingen

Economische oplossingen

Focus = MaatschappijFocus = Samenleving
Orde = Organisatie van maatschappelijke posities, rollen, functies Orde = Modus vivendi van mensen onder elkaar, ongeacht maatschappelijke identiteit / status
primaat van maatschappelijke regelingen ('positivisme') primaat van recht van natuurlijke personen ('natuurrecht')
Controle van de 'menselijke factor' (Human resources management) Wederzijds respect, wederkerigheid en vrijwillige verbanden (Rechtshandhaving)
Socialisatie / transformatie Natuurlijke mens artificiële persoon ('burger', 'wachter van de staat') Respect voor reële mensen Natuurlijke personen (Leef en laat leven)
Uitschakeling of subordinatie van samenlevingsverbanden aan maatschappelijke eisen Maatschappelijke verbanden ondergeschikt aan eisen van samenleving

Wij kunnen nu de plaats bepalen van het utopisch denken in de filosofie van de menselijke wereld. Het utopisme is de filosofie van de overvloed. Het zoekt een complete 'economische' oplossing voor het raadsel van de geschiedenis. Politieke of maatschappelijke organisatie per se kan geen oplossing bieden als zij niet tegelijkertijd het 'economische' probleem van de schaarste uit de wereld helpt. Dat alleen maatschappijen die hun leden van alle beperkingen en frustraties bevrijden verenigbaar zijn met de overvloedoplossing, geeft ons meteen ook een algemene definitie van Utopia. Utopia is de maatschappelijke organisatie van de overvloed. Het onderscheidt zich daardoor van historische maatschappijen die slechts organisaties van de schaarste zijn. Voor het utopisme is Utopia dus het normatieve model voor de hervorming en verbetering van bestaande maatschappijen. Wat mensen in Utopia zouden hebben is waar zij ook in de bestaande maatschappijen al recht op hebben. Overvloed – de afwezigheid van elk gebrek, elke frustratie – is het fundamentele 'recht' van de mens.

Ascetisch utopisme en bevrijdingsutopie

Wij moeten hier evenwel op een complicatie wijzen. In het denken over overvloed zit namelijk een zekere dubbelzinnigheid die ook in het utopisme tot uiting komt. Ontrafeling ervan levert twee heel verschillende beelden van het utopische ideaal en zelfs van Utopia op.

Wij kunnen schaarste definiëren als de toestand waarin de beschikbare middelen (M) niet toereikend zijn om alle behoeften (B) te stillen. In een pseudo-mathematische formulering: M < B. De overvloedoplossing eist echter dat M >=B. Dat resultaat kunnen wij op twee manieren bereiken, door de behoeften (B) te verminderen of door meer middelen (M) te creëren – langs de weg van het ascetisme of die van het productivisme. De eerste weg veronderstelt dat de middelen 'gegeven' zijn – noodzakelijk beperkt of constant – en dat de behoeften manipuleerbare variabelen zijn. De tweede weg veronderstelt dat de behoeften gegeven zijn en de middelen variabel.

Tot ver in de achttiende eeuw werden utopische denkbeelden gekenmerkt door een onmiskenbare ascetische sereniteit.9 Alhoewel Utopia niet uitblinkt door een overweldigende productiviteit, zijn de mensen er tevreden. Zij leven er in overvloed, al is die dan van een andere soort dan wat wij nu overvloed zouden noemen.

Ascetisme hoeft niet met utopisme samen te gaan. Het kan een louter individuele houding zijn. Ascetische tevredenheid is het resultaat van een morele instelling, namelijk de erkenning van 'ware' en de afwijzing van 'schijn'-behoeften. 'Terug naar de natuur', 'leven als een hond in de vrije natuur' (het beeld waar de Cynici hun naam aan ontleenden) – dat is de kern van het ascetisme. De reabsorptie van het menselijke in het natuurlijke, waar het uit voortgekomen is, is de sleutel tot het geluk. Alleen in eenheid met de natuur kan de mens waarlijk 'zichzelf zijn'. Daarin ligt echter een paradox. De eenwording met de natuur impliceert dat de mens zichzelf (als de mens die hij is) moet verloochenen vooraleer hij zichzelf (als één met de natuur) kan vinden.

Het ascetisme kreeg zijn utopische gestalte in het begin van de Moderne Tijd, temidden van revolutionaire millenaristische agitatie. Allerlei geloofsijveraars stuurden aan op een definitieve afrekening met de wereld – 'het Kwaad' – en de vestiging van het Koninkrijk Gods op Aarde – de terugkeer naar het Paradijs. In die tijd kwam ook een nieuwe Messiaanse opvatting van het koningschap naar voren. De koning was niet langer de behoeder van de traditie, de verbinding tussen het heden en het verleden. Hij werd integendeel het symbool van de hoop op een nieuw begin, een radicale breuk met het kwaad dat de wereld geworden was. De concentratie van machten, in het bijzonder wetgevende en militaire machten, in zijn persoon leek die hoop te wettigen. Het was echter wachten op de ware 'Keizer van de laatste dagen', die macht en wijsheid zou verenigen en daadwerkelijk de nieuwe orde zou inluiden. Die godsdienstige bewegingen onderstreepten dat de definitieve afrekening met het verleden en de vestiging van het Aardse Paradijs binnen de menselijke mogelijkheden lagen.

De vroege utopische literatuur10 vond haar plaats in dat godsdienstige kader. Utopia, het geseculariseerde paradijs, was een mensengemeenschap. Het werd georganiseerd en bestuurd door een koning of een raad van wijzen die zijn volk geleerd had dat zelfverloochening en beperking tot de ware behoeften de essentiële voorwaarden van geluk zijn. Utopia, een stad zonder persoonlijkheden, was de organisatie van de zelfverloochening, van de tot zijn ware natuur gereduceerde mens.

Met de explosieve technologische ontwikkelingen van de negentiende eeuw, de ontginning van alsmaar meer energiebronnen (steenkool, olie, waterkracht, geothermische, nucleaire en zonne-energie) kwam de 'bevrijdingsutopie' in beeld. Haar fundamentele idee is dat het mogelijk is door een 'wetenschappelijke' maatschappelijke organisatie van de productie de mens te bevrijden van alle denkbare beperkingen en frustraties. De wetenschappelijke technologie maakt de natuur dienstbaar aan de mens en de maatschappelijke organisatie ervan verdeelt haar verwezenlijkingen over allen. Utopia wordt de organisatie van de 'oneindige mogelijkheden' van de mens.

De wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen symboliseren de reabsorptie van de natuur in de mens, die hier het enige scheppende beginsel, de fundamentele oorzaak en de uiteindelijke bestemming van alle dingen is. Om zijn oneindigheid te realiseren dient de mens alle grenzen te overschrijden die hem van het andere (de natuur) scheiden en onderscheiden. Dat betekent dat uiteindelijk ook de maatschappelijke organisatie zelf geen bron van beperkingen meer mag zijn. Ook zij heeft haar oorzaak en bestemming in de mens. Zodra hij dat inziet, kan de mens haar beheersen zoals hij ook de natuur kan beheersen. Zij brengt dan voort wat de mensen nodig hebben en stelt hen aldus in staat te hebben, te zijn en te doen wat zij willen. Kenmerkend voor de bevrijdingsutopie is de verklaring van Marx dat, in een communistisch regime, 'ik kan doen wat ik wil, terwijl de maatschappij voor de algemene productie zorgt'.11

In de bevrijdingsutopie is er dus niet langer sprake van een 'reductie' van de mens. Integendeel, zij beoogt de volledige zelfontplooiing en zelfwording van de mens. Niet zelfverloochening ('mijzelf verliezen in het andere') maar ongeremde beleving van de volheid van de eigen persoon ('al het andere is slechts een uiting van mijzelf') – dat is de sleutel tot het utopische geluk. Dat betekent dat men andere mensen moet leren zien als aspecten van zichzelf. Alleen wanneer men zichzelf als de auteur van hun woorden, daden en werken herkent, zijn zij niet langer 'vreemden'. Omdat dat eveneens voor de anderen geldt, ontstaat ook hier een paradox. Alleen in eenheid met alle anderen kan de mens waarlijk 'zichzelf zijn'. Het 'zelf' is dus niet het particuliere zelf van een particulier individu. Het overstijgt alle individuele particulariteiten. Het is alleen denkbaar als het universele 'zelf' van een subject – de universele Mens – dat alle particuliere individuen omvat. De eenwording met de anderen impliceert dat een mens zichzelf (als een van alle anderen onderscheiden 'Ik') moet verloochenen vooraleer hij zichzelf (als Mens) kan vinden.

Zelfverloochening en overvloed

Vanuit het standpunt van de werkelijke mensen zijn beide utopische types dus per slot van rekening niet zo heel verschillend. Of het 'zelf' nu tot niets gereduceerd of tot alles verheven wordt, de individuele, particuliere mens verdwijnt geheel uit het beeld. Het ascetische utopisme 'vergoddelijkt' de natuur en zoekt alle heil in de dienstbaarheid van de mens aan de natuur. De bevrijdingsutopie ziet het heil in de dienstbaarheid van de natuur aan de mens. Beide berusten op de overtuiging dat schaarste een illusie is, geen fundamentele werkelijkheid. Als er toch schaarste is, dan komt dat doordat mensen vervreemd zijn van hun ware natuur. De sleutel tot de overvloed is dat mensen zich bewust worden van het feit dat hun historisch lot bepaald werd door een vals bewustzijn. Zij moeten hun essentiële behoeften ontdekken en valse behoeften ontmaskeren (ascetisch utopisme) of inzien dat zij geen eindige aan elkaar tegenstelbare maar in hun oneindigheid elkaar insluitende wezens zijn (bevrijdingsutopie).

De verloochening van het particuliere 'zelf' is in beide gevallen de essentiële methode voor de verwezenlijking van overvloed. Anders gezegd, het particuliere 'zelf' staat het utopische geluk in de weg – het creëert de schaarste en maakt aldus handelen en leven tot een last. Het in logische termen absolute verschil tussen handelen in een wereld van schaarste en handelen in een wereld van overvloed is voor de utopist niet gefundeerd in enige objectieve realiteit. Het is het gevolg van een foute mentaliteit, van een wilsgebrek.

Handelen in een wereld van schaarste impliceert keuzen maken. Dat kunnen verkeerde keuzen zijn, waarvan de kosten hoger zijn dan de baten. Men geeft dan iets van meer waarde op om iets van minder waarde te verwerven. Het leven is beladen met morele dilemma's omdat elke keuze een probleem is, een last, een confrontatie van kosten en baten, voor-en nadelen, goed en kwaad, beter en best. Onder die omstandigheden houdt handelen onvermijdelijk het risico in van verliezen, mislukkingen, frustraties, wroeging, spijt. Handelen in een wereld zonder schaarste is daarentegen zonder kosten. Mislukkingen en frustraties zijn uitgesloten omdat men nooit iets hoeft op te geven om iets anders te verkrijgen. Er is geen beter of slechter, geen goed of kwaad. Elke keuze is er 'echt vrij' (in de moderne, onorthodoxe betekenis van 'vrij').

Veronderstel nu dat het verschil tussen schaarste en overvloed inderdaad een kwestie van bewustzijn is. Dan kan men overvloed realiseren door 'in te zien' dat wat men doet een uitwerking is van een natuurlijke noodzaak of van iets 'wat alle anderen ook zouden doen'. Wat men doet is dan niet langer een eigen keuze waarvoor men zelf verantwoordelijkheid draagt en aansprakelijk is. Het is zonder persoonlijke kosten omdat het geen persoonlijke keuze is.

Zelfverloochening impliceert de opheffing van de eigen verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid. Zij bevrijdt het individu van de last van het leven. Zij garandeert een schuldloos bestaan – zoals in het paradijs of in een perfecte communistische gemeenschap. In het paradijs kan men goed leven zonder zelf keuzes te moeten maken – als een kind of een dier, zonder behoefte aan enig moreel bewustzijn. In een perfecte communistische gemeenschap erkent iedereen elke daad van om het even wie als de zijne en weet iedereen dat alle anderen zijn daden als de hunne erkennen. Er wordt geen rekenschap gevraagd of gegeven. De mens is er bevrijd van alle morele categorieën. Hij leeft er 'voorbij goed en kwaad', zonder 'berekening'.

III. DE UTOPISCHE WENDING

Van de economie van de schaarste...

Als filosofie van de overvloed impliceert het utopisme ook een 'economie van de overvloed'. Zij staat tegenover 'de economie van de schaarste' die een implicatie is van het klassieke natuurrechtelijke denken. Het is nuttig daar even bij stil te staan om een beter begrip te krijgen het utopisme.

Met elk van die types van economisch denken correspondeert een bepaalde opvatting van de homo Å“conomicus. Voor de economie van de schaarste is dat de natuurlijke mens met al zijn beperkingen. Mensen zijn van nature beperkte, eindige wezens. Zij hebben objectieve grenzen die bepaald worden door hun fysieke (lichamelijke) doen en zijn. Dat zijn de grenzen van hun eigendom. 'Het mijne en alleen het mijne is mijn recht' – dat is de kern van de eigendomsordening en meteen ook van de idee van de natuurlijke rechten van mensen.

De klassieke vindplaats voor die opvatting is de bijbel – waarmee uiteraard niet gezegd is dat zij uniek is voor de Joods-christelijke traditie; de bijbel neemt de eindigheid van de mensen echter wel heel ernstig. Noteer dat het meteen ook de pluraliteit en de diversiteit van mensen naar voren schuift. 'De Mens' is nauwelijks aanwezig in de bijbelse mythologie. Zij is een verhaal van individuele, met naam en toenaam genoemde mannen, vrouwen en kinderen en hun onderlinge verhoudingen. Ook God treedt op als een individuele persoon, weliswaar met heel bijzondere kenmerken maar in zijn persoonlijke essentie, namelijk als moreel aansprakelijk subject (bewust, kiezend, vragend en antwoordend) toch duidelijk herkenbaar als soortgelijk. De basispremisse van de bijbelse mythe is inderdaad het feit dat God de mensen herkent en ook erkent 'als een van ons'.12

Niet voor niets is de bijbelse religie een religie van het verbond (convenant, contract), waarin interpersoonlijke relaties geordend worden volgens de beginselen van wederzijds respect en onderlinge overeenkomst. Dat wordt heel duidelijk gemaakt in de tien geboden, de bijbelse grondwet van de wereld. Iedere mens moet zich goed bewust zijn van het feit dat hij of zij de wereld deelt met God en met andere mensen. Er is geen excuus om in de plaats van God of een andere mens te treden of zich toe te eigenen wat aan enige andere persoon toebehoort. Het recht is hier de orde van samenleven van in zichzelf en ook tegenover elkaar beperkte natuurlijke personen. Het wortelt in hun natuur als morele subjecten – handelend, kiezend, aansprakelijk, verantwoordelijk.

De belangrijkste implicatie van dit mensbeeld is dat mensen zelf hun keuzen maken en dienovereenkomstig spreken en handelen. Er zijn dan twee mogelijkheden. Ofwel draagt men zelf de gevolgen van zijn keuzen en handelen, ofwel niet. Alleen het eerste alternatief is verenigbaar met de natuurlijke orde van samenleven. Rechtshandhaving is de handhaving van het onderscheid tussen de ene persoon en alle anderen zodat zij niet met elkaar of met andere dingen verward worden. De woorden, daden en werken van de een worden niet aan anderen toegeschreven en komen niet ten laste van anderen. Niets belet echter dat iedereen zelf zijn rechten uitoefent. Orde en persoonlijke vrijheid gaan samen.

In het Christendom bleef dat bijbelse mensbeeld overheersend. Het leverde nog de grondslag voor de theorieën van het natuurrecht in de zeventiende en de achttiende eeuw. Het ligt aan de basis van de doctrine van de natuurlijke rechten (Locke's 'Life, Liberty, and Property'). Het is onmisbaar voor een begrip van de toen veel belangstelling genietende natuurlijke orde van samenleven – de 'ordre naturel' van de Franse Physiocraten, Adam Smiths 'system of natural liberty', Edmund Burkes 'natural society'. De kern van dat mensbeeld is dat pluraliteit, diversiteit en schaarste tot de reële essentie van het menszijn behoren. De grote opgave voor de mensen is, ondanks al hun individuele verschillen en de beperking van de beschikbare middelen, een orde van samenleven tot stand te brengen en te handhaven. Zij kunnen dat doen door wederzijds respect voor elkaar en elkaars eigendom.

...naar de economie van de overvloed

In de achttiende eeuw was de intellectuele contestatie van het Christendom en daarmee samenhangend het bijbelse mensbeeld evenwel al begonnen. De gnostiek – voor de Christelijke theologen 'de moeder van alle ketterijen' – had reeds in de Renaissance invloedrijke adepten gevonden. De observeerbare eindigheid en beperktheid van de mensen werd geïnterpreteerd als het bewijs dat de observeerbare mensen 'niet waarlijk mens zijn'. De 'ware' mens is immers, in het gezichtspunt van de gnostiek, een door niets anders buiten hem begrensd – dus een oneindig – wezen. 'Wie zichzelf kent, kent het al', want de mens is alles wat er is. Dat is het geheim waar de gnostiek kennis ('gnosis') van beweerde te hebben. De bijbelse god, de medemens, de natuur en de maatschappij – zij zijn slechts uitdrukkingen van de mens.

De menselijke essentie is dus niet in het fysieke of natuurlijke bestaan van een individu te vinden, want dat is evident beperkt. Het kan alleen zitten in wat aan geen materiële beperkingen onderworpen is, zijn spirituele, grenzeloze begerigheid naar reële kennis en begrip van het Al – concreet, bezit van en meesterschap over alles.

'Aan de mens is het gegeven alles te zijn en te hebben wat hij wil' – dat was volgens Pico della Mirandola de formule van 'de waardigheid van de mens'. Als dat waar is, dan heeft de mens recht op alles wat hij wil. Absolute, onvoorwaardelijke bevrediging is het fundamentele mensenrecht. Niet zijn morele maar zijn erotische natuur, zijn onbegrensde begerigheid, maakt de mens tot rechtssubject. Elke frustratie is een onrecht. Kortom, de mens is de ware God, er is er geen andere. Vooralsnog zit hij evenwel als 'een lijdende god' gevangen in de beperkingen van de materiële wereld.

Twee eeuwen na Pico gebruikte Thomas Hobbes dat gnostische mensbeeld in een buitengewoon invloedrijke formulering van de moderne politieke theologie. Als ieder individu zijn recht op alles gaat uitoefenen, dan komt daar niets dan ellende van. Mensen moeten daarom inzien dat zij hun vrijheid (de zelfstandige uitoefening van hun recht) moeten neerleggen om zo met enig succes hun recht op bevrediging veilig te stellen. De uitoefening van hun recht moeten zij toevertrouwen aan een 'soeverein', een heerser die vrij over zijn onderdanen beschikt. Zijn bewind wordt echter gelegitimeerd door hun inzicht in de noodzaak van zijn optreden. Immers, slechts door hun zelfverloochening komt een collectieve persoon ('een sterfelijke god') tot stand die hun kan geven waar zij naar verlangen – waar zij dus 'recht op hebben'.

Voor Hobbes was de 'soeverein' een absolute vorst maar voor latere vertegenwoordigers van de politieke gnostiek konden ook artificiële, collectieve personen de rol van soeverein vervullen. Voor het theoretische schema is immers niet van belang wie of wat 'soeverein' is. Wel belangrijk is dat mensen ervan overtuigd zijn dat het niet goed is dat zijzelf hun recht uitoefenen. In de 'moderne politiek' worden rechten via 'soevereine vertegenwoordigers' uitgeoefend. Vrijheid in klassieke zin ('iedere mens oefent zelf zijn door die van anderen beperkte rechten uit') en recht in de moderne zin ('bevrediging van alle begeerten') gaan niet samen. De tegenstelling verdwijnt wel als men 'ware vrijheid' definieert als een toestand van bevrediging of als beschikking over voldoende middelen om alle begeerten te stillen. Mensen moeten hun klassieke vrijheid inruilen voor de belofte van een waarborg tegen frustratie van welke aard dan ook. Door die ruil vallen vrijheid en recht opnieuw samen. In de woorden van Franklin Roosevelt himself, 'Freedom means the supremacy of human rights everywhere'.13

In die opvatting wordt de wending naar het utopisme voltrokken. Zij correspondeert met een verschuiving in het beeld van de mens van een eindig, zelfstandig handelend moreel persoon naar een onbeperkte bundel van begeerten – de moderne homo Å“conomics. Dat mensbeeld heeft inderdaad vooral in de latere ontwikkelingen van de economische wetenschap opgeld gemaakt. In de negentiende eeuw ging zij steeds minder het klassieke probleem van orde in de menselijke wereld bestuderen. Meer en meer ging zij zich voordoen als een technologie van de behoeftebevrediging. Onder het motto van waardevrijheid, kreeg 'behoefte' bovendien een alsmaar subjectievere inkleuring. Om het even welke wensen, verlangens, begeerten, voorkeuren kwamen voor bevrediging in aanmerking. De 'moderne economie' schaarde zich zonder scrupules achter het idee dat de mens recht heeft op alles wat hij wil. Dat was weliswaar moeilijk te rijmen met de gepretendeerde waardevrijheid maar de contradictie werd handig weggemoffeld achter de terminologie van de 'economische efficiëntie'. De economie sprak zich niet uit over doelen – wensen, voorkeuren, verlangens zijn 'gegeven' – maar enkel over de organisatie van de middelen om die te realiseren.

Onder de organisatie van middelen vallen echter ook de mobilisatie en de manipulatie van mensen.14 Vanuit het moderne 'economisch oogpunt' hebben mensen inderdaad twee los van elkaar staande functies. Enerzijds zijn zij de dragers van voorkeuren, verlangens en begeerten. Anderzijds zijn mensen slechts productiefactoren die zo efficiënt mogelijk ingezet dienen te worden voor de bevrediging van de 'gegeven voorkeuren'. De verbinding tussen die polen is niet de zelfstandig en doelgericht handelende menselijke persoon maar de maatschappelijke organisatie van de productie. Zij registreert de voorkeuren via marktonderzoek, opiniepeilingen of verkiezingen. In dat proces worden de voorkeuren geanonimiseerd – het doet er immers niet toe om wiens voorkeuren het gaat – en na statistische bewerking aan de 'soevereine consument' c.q. 'soevereine kiezer' toegeschreven.

Alleen in die abstracte anonieme constructies verschijnt 'de Mens', als de consument van private en publieke goederen en diensten die door een even anonieme maatschappij geproduceerd worden. Alleen in die zin staat de maatschappij ten dienste van de Mens. De prijs voor haar diensten wordt betaald door de tot productiefactoren – werknemers, belastingbetalers en wetsonderhorigen – gereduceerde particuliere individuen.

De 'ware mens' is de zuivere onversneden consument, bevrijd van elke noodzaak om te produceren. Dat uitgangspunt staat geen andere maatstaf voor de beoordeling van 'de toestand van de wereld' toe dan een volledige – althans zo volledig mogelijke – bevrediging van 'behoeften'. Het volstaat die behoeften 'rechten' te noemen om uit de leer van de economie van de overvloed de heersende doctrine van de mensenrechten af te leiden.

Utopie van de mensenrechten

Utopisme en de moderne mensenrechtendoctrine hebben meer gemeen dan enkele 'raakpunten'. Beide hebben hetzelfde filosofische profiel, veronderstellen hetzelfde beeld van de mens als begerig wezen met geen fundamenteler recht dan de bevrediging van zijn begeerten. Dat is een utopisch recht dat alleen onder utopische omstandigheden, na oplossing van het raadsel van de geschiedenis, vervuld kan worden. Ondertussen dienen de mensenrechten echter de ondermijning van de klassieke of natuurlijke rechten. Zij nemen elke 'rechtsgrond' weg die men zou kunnen aanvoeren om wat anders te zijn dan een consument van of een productiefactor in de door collectieve beslissingen bepaalde maatschappelijke productie van mensenrechten. Of mensen met dergelijke mensenrechten tot hun recht kunnen komen, betwijfel ik. Caveat homo!

Frank van Dun
Universiteit van Maastricht


* Deze tekst is gebaseerd op mijn nota's ter voorbereiding van een lezing op 22 april 2003 voor het Studium Generale van de Universiteit van Utrecht. Niet alles wat ik hier aan de lezer voorleg, kon tijdens die lezing en de aansluitende discussieronde ter sprake komen.

1 Mensen die geloven dat de wereldgeschiedenis in 1945 begon, rekenen al die 'klassieke' rechten tot de eerste generatie, maar dat is zowel op historische als logische gronden onzinnig.

2 Discriminatie is, in dit verband, vaak niet meer dan een statistische relatie. Dat een 'minderheid' op het ene of het andere vlak statistisch 'ondervertegenwoordigd' is, is dan een bewijs van discriminatie. Is zij op een ander vlak statistisch 'oververtegenwoordigd' dan heet dat het bewijs te zijn van het bestaan van een discriminerend 'rollenpatroon' of discriminerende vooroordelen.

3 In de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring.

4 Art. 130r(2), 1997 Amsterdam Treaty (97/C 340/01) OJ C 340, 1997-11-10

5 'Communication from the Commission on the Precautionary Principle' van 2 februari 2000.

6 President's Address to the 77th Congress, January 6th, 1941.

7 Volgens de UV heeft iedere mens ook een 'recht op de onschendbaarheid van zijn persoon'. Wat dat betekent en of het meer inhoudt dan alleen het verbod op slavernij en foltering, daar hebben wij het raden naar. In geen geval impliceert 'onschendbaarheid' enige beperking van de belasting- en reguleringsmachten die de overheden nodig hebben om gestalte te geven aan de mensenrechtenmix die zij prioritair achten. Bovendien dreigt er altijd de 'horizontale werking van de mensenrechten'. Wat de staat, als borg van de mensenrechten, niet mag dan wel moet doen, moet hij ook aan al zijn onderdanen verbieden respectievelijk gebieden. Bijna bij elk politiek geactiveerd mensenrecht onstaat druk om het niet alleen tot overheidsbeleid te maken maar ook af te dwingen tegenover particulieren (individuen, hun verenigingen en ondernemingen). Die particulieren verliezen de wettelijke mogelijkheid om naar eigen inzicht, volgens hun normen en waarden, over hun fysieke en materiële vermogens te beschikken. 'Onschendbaarheid van de persoon' is dan een vrijwel lege huls.

8 Uiteraard zijn allerlei 'gemengde strategieën' mogelijk, maar die laten wij hier buiten beschouwing.

9 Middeleeuwse fantasieën over een 'land van melk honing' of een 'luilekkerland', waar 'gebraden kippen zomaar in de mond vliegen', laten wij buiten beschouwing. Zij zijn geen echte utopieën omdat zij niet berusten op het idee dat het de mens(en) zelf gegeven is de historische problematiek van de 'condition humaine' op te lossen.

10 Het voorbeeld bij uitstek is uiteraard Utopia van Thomas Morus (1516).

11 Marx-Engels, Duitse Ideologie (deel 1). Noteer dat het communisme in zijn volgroeide fase de realisatie van de overvloed impliceert.

12 12Genesis 3:22.

13 Zie zijn eerder geciteerd Presidential Address (6 januari, 1941).

14 Veel aandacht ging naar de polemieken tussen economische socialisten en economische liberalen over de meest efficiënte vorm van mobilisatie en manipulatie van de menselijke productiefactoren (de centraleplaneconomie versus de markt). Relatief weinig aandacht ging naar het feit dat beide partijen hetzelfde moderne beeld van de mens als een onbeperkte bundel van behoeften aankleefden. Pas na de desintegratie van de Soviet Unie ontdekten de socialisten dat ook de neo-liberalen leven, vrijheid, eigendom niet als fundamentele rechten van mensen beschouwden maar als manipuleerbare beleidsvariabelen – dus als 'mensenrechten' in de moderne zin. Toen werd de weg vrijgemaakt voor 'paarse coalities'.