Op weg naar de stembus

Politiek, zo werd mij verteld, gaat over het algemeen belang.
- En wat is het algemeen belang?
- Dat bepaalt de politiek.
- Betekent dat dan dat het algemeen belang gelijk is aan het belang van de politici?
- Dat lijkt misschien wel zo, maar we leven toch in een democratie? Het volk beslist dus over het algemeen belang. De politici werken de details uit nadat de kiezers de beginselen hebben bepaald. Daarom is het belangrijk dat je gaat stemmen in de volgende verkiezing. Je stem telt evenzeer als die van ieder ander.
- Dat betwijfel ik niet, maar voor hoeveel telt ieders stem? Politici doen allerlei uitspraken. Hun programma’s zijn complexe pakketten in mooie woorden verpakt en verzegeld tot na de verkiezingen. We kunnen alleen maar stemmen op vage beloftes zonder te weten of en welke daarvan de verkozene van plan is na te komen. En zodra de stemmen geteld zijn bepalen de politici zelf wat onze stem betekent. Geef ons een noot en wij zullen er een symfonie van maken, dat is wat zij eigenlijk zeggen. Nonsens natuurlijk! Waarom zou ik stemmen als iemand anders bepaalt wat mijn stem betekent? Stemmen is zoals het uitschrijven van een blanco cheque.
- OK, maar je kan toch niet ontkennen dat democratie beter is dan dictatuur. Daarom moet je stemmen. Om te tonen dat democratie het algemeen belang dient.

Ik was niet overtuigd. Waarom zouden democratie en dictatuur de enige alternatieven moeten zijn? Wat zou mijn stem betekenen als blijkt dat het enige wat lijkt te tellen het feit is dat ik heb gestemd, niet hoe ik heb gestemd. Maar ik was ook geen voorstander van dictatuur. En in ieder geval, stemmen kan geen kwaad… – of toch? Het leek vrij simpel. Je gaat het stemhok binnen, kleurt een bolletje naast een partij of kandidaat op een vel papier van krantenformaat, dat je dan in een urn stopt. Dat is het: je hebt je democratische plicht vervuld door je democratisch recht om te stemmen uit te oefenen. Een kind kan het. Ik deed het enkele jaren voordien al een keer, zonder er al te veel bij stil te staan, bij de eerste verkiezing waaraan ik mocht deelnemen.

Niemand scheen veel belang te hechten aan het stemmen. Het was een formaliteit, een van die dingen die zo af en toe gebeuren en daarna bijna onmiddellijk weer vergeten raken. Inderdaad, in de weken vlak voor de verkiezing en in de week die erop volgt gedijen de media met verkiezingsverslagen en politieke commentaren, en sommige mensen die je een warm hart toedraagt tonen zich plots vol van haat en minachting, of van pathetisch enthousiasme voor deze of gene partij of haar leiders. Maar het is een minderheid. Nauwelijks enkele weken later is haast iedereen de verkiezingsresultaten vergeten. Sommigen hebben nog een vaag idee van wie “gewonnen” en wie “verloren” heeft, maar als je hen erop wijst dat sommige winnaars in de oppositie en sommige verliezers in de regerende coalitie verzeild zijn, dan trekken ze hun schouders op en zeggen “Welja, dat is nu eenmaal politiek.”

Bijna iedereen de ik kende beschouwde de verkiezing als een soort publieke opiniepeiling, alsof de vraag die hen werd gesteld was “Welke partij of kandidaat hebt u het liefst?”, en zij stemden met nauwelijks meer aandacht dan zij zouden doen bij gelijk welke andere opiniepeiling. Maar stemmen bij een verkiezing is niet hetzelfde als het uiten van een opinie. De gevolgen van het uitbrengen van een stem zijn niet dezelfde. Ik had er behoefte aan om nog wat na te denken alvorens ik zou beslissing hoe ik zou stemmen in de komende verkiezing. Wat is het precies dat ik zou doen door een stem uit te brengen? Die vraag hield mij meer bezig dan de vraag voor welke partij ik zou kiezen.

Wat ik op school geleerd had over verkiezingen was niet bepaald verhelderend: “In een democratie kiest het volk vrij zijn eigen regering.” Maar in mijn land zijn de verkiezingen om te beginnen niet vrij. De stemming is verplicht. Je riskeert een boete als men niet verschijnt in het stembureau op de dag van de verkiezingen. Als symbool van vrijheid is onze kiesstelsel volstrekt ongeschikt. Wij zijn helemaal niet vrij om te stemmen. Hoogstens zijn we vrij om te stemmen voor een partij waarvan het syndicaat van gevestigde partijen heeft beslist dat zij erkend mogen worden als “legitiem”, ‘t is te zeggen, waardig om belastinggeld te ontvangen waarmee ze zich nuttig maken door zichzelf in stand te houden.

Wat meer is, de verkiezingen laten ons niet toe om de regering te kiezen. Wij organiseren een verkiezing van volksvertegenwoordigers en senatoren, en van hen wordt gezegd dat zij ‘gescheiden’ zijn van de regering. Dat is zo omdat de “scheiding der machten” een van de steunpilaren van onze constitutionele orde zou zijn. In lijn met dit principe wordt de regering benoemd door het staatshoofd, de Koning, en de volksvertegenwoordigers en senatoren worden verondersteld om erop toe te zien dat de Regering niets doet zonder wettige autorisatie. De Regering kan alleen maar regeren zolang zij het vertrouwen geniet van de verkozenen des volks.

De werkelijkheid is anders. Niet de Koning maar de partijbonzen maken de regering, en zij doen dat in min of meer geheime onderhandelingen. De enige beperking die de verkiezingen in praktijk opleggen aan de politieke onderhandelaars is dat de partijen in de regerende coalitie samen een meerderheid moeten hebben in de volksvertegenwoordiging. Dit stelde mij voor een lastige vraag: Wat blijft er over van de onvolprezen scheiding der machten als de regerende partijen dezelfde partijen zijn als die welke de meerderheid in het parlement uitmaken? Hoe geruststellend is het dat zij kunnen blijven regeren zolang zij er maar in slagen de discipline te bewaren bij haar leden die het parlement bevolken en hen kunnen verhinderen te stemmen tegen hun collega’s in de regering. En om de zaak nog erger te maken zijn het binnen de partijen de machtigste en meest invloedrijke politici die in de regering terecht komen; en in het parlement zijn de belangrijkste posten gereserveerd voor de politici die het dichtst aanleunen bij de partijleiding. Voor hen is er geen scheiding van machten, maar hooguit een goed geoliede draaideur.

Veeleer dan een controleorgaan voor de regering is het parlement een opstapje naar een betrekking als minister, staatssecretaris of een andere hoge uitvoerende positie. Veeleer dan een bescherming van de grondwettelijke belangen in een rechtmatige regering, is het een instituut dat de regering ervoor behoedt om haar handelingen te moeten verantwoorden tegenover een gescheiden, onafhankelijke macht. De handboeken sloegen de bal duidelijk mis wanneer zij suggereerden dat de scheiding der machten een vitaal onderdeel is van de bescherming van ons constitutioneel systeem. Het bestaat zelfs helemaal niet.

Bovendien is de functie van de volksvertegenwoordiging helemaal niet beperkt tot het controleren van de wettigheid van het handelen van de regering. Haar voornaamste functie is het stemmen over wetten, de meeste voorgesteld door de regering zelf. En daarmee leggen zij aan het volk dat zij geacht worden te vertegenwoordigen allerlei verplichtingen op. Om kort te gaan, deze “vertegenwoordigers” handelen alsof zij onderdeel zijn van het regerende establishment. En zij die in de oppositie zitten, op dat moment de minderheid, zijn meer geneigd om te roepen dat de regering te weinig doet dan dat zij de overdreven inmenging in de handel en wandel van burgers zouden bekampen. Tenslotte, zij hebben geen belang bij een beperking van de machten die zij willen veroveren, zoniet bij de eerstvolgende verkiezingen, dan toch in de niet al te verre toekomst.

Het klopt, op school leerden wij dat de wetgevende macht toebehoort aan het volk “als principe”, en zij daarom – zo werd tenminste beweerd – “in praktijk” moest worden uitgeoefend door volksvertegenwoordigers. Maar dit schijnt te betekenen dat “in praktijk” de partijen die samenspannen om een parlementaire meerderheid te vormen het recht hadden om de wetgevende macht uit te oefenen zelfs al zaten zij ook in de regering. Hier moest toch iets mis mee zijn. Iets erg belangrijk was uit de constitutionele vergelijking weggelaten – maar wat?

Uit mijn lessen maatschappijleer herinnerde ik mij dat de leerstelling van de scheiding der machten nauw verbonden is met een andere leerstelling die – zo werd gezegd – van bijzonder groot belang was voor de constitutionele orde: de leer van de gerechtigheid, de rule of law. Volgens de schoolboeken betekent dit dat we verondersteld worden te worden geregeerd eerder volgens bepaalde rechtsprincipes dan volgens de wispelturige willekeur van bepaalde mensen. Dat was natuurlijk een comfortabele gedachte, maar het werd vrij zinledig van zodra ik probeerde het principe te toetsen aan de politieke werkelijkheid. Want behalve een aantal grondwettelijke bepalingen die ervoor zorgen dat de regering in handen blijft van gevestigde partijen, kon ik nauwelijks echte “rechten” onderscheiden. Zelfs de meest gewone regels van het dagelijkse leven werden reeds uitgehold en vervangen door wetten en reglementeringen die vooral geïnspireerd waren op de partijprogramma’s van de regerende coalitie. En dat was nog voor de opkomst van het huidige brede spectrum van één-thema-fascisten die alleen maar behoefte zien aan meer belasting, regulering, inspectie, kwasi-autonome agentschappen en andere fora van overheidsinmenging in elk aspect van onze levenswijze – wat we eten, drinken, roken, dragen, lezen, geloven en denken; hoe we onze kinderen opvoeden, onze huizen inrichten, werken, rusten of sporten, sparen of lenen, onze huisdieren voederen of het uiten van onze mening; welke woorden en middelen we gebruiken, met welke auto’s we rijden, welke pillen we slikken; enzovoort ad nauseam.

Terwijl ik nadacht over de rule of law realiseerde ik mij dat het vooral om vrijheid gaat, en helemaal niet over een politiek systeem waarin de leiders van de heersende partijen hun hielenlikkers in het parlement zover krijgen dat zij stemmen voor al hetgeen hun vrienden in de regering wensen te doen. De rule of law verwijst naar een soort recht dat niet afhangt van de wispelturige willekeur van mensen, ongeacht of het proces van het maken ervan gebeurt via de parlementaire omweg; De rule of law, zo dacht ik, is enkel zinvol als het recht een ordeningsprincipe is dat volledig los staat van de heerschappij van mensen, en niettemin voldoende is om te dienen als basis voor het vreedzaam samen leven van mensen. Dat recht, dat sommigen natuurrecht noemen, anderen rationeel recht en nog anderen goddelijk recht, dat recht is het recht dat de meeste mensen van een bepaalde tijd spontaan erkennen als het enige echte ordeningsprincipe. Het is inderdaad dat recht dat ieder redelijk mens mag verondersteld worden te kennen. Haar basisvereisten zijn het wederzijds respect – respect voor eenieders vrijheid en daardoor respect voor eenieders fysieke integriteit en die van hun rechtmatig verworven eigendom – en bereidheid om de verantwoordelijkheid op te nemen voor zijn eigen leven en daden. Bovendien vereist het Recht dat ieder conflict geschikt wordt tussen de direct betrokken personen met inachtneming van de principes van redelijkheid en rechtvaardigheid. Het vergoelijkt niet de politisering van conflicten met de bijhorende mobilisatie van grote groepen of zelfs legers die de massa’s medeplichtig maken aan de boze plannen van de enkelingen.

De inachtneming van dat Recht wordt altijd ondermijnd door criminelen en voornamelijk door regeringen; want in essentie is het handelen van criminelen en regeringen het zichzelf boven het Recht plaatsen. Politieke partijen hebben er geen belang bij mensen toe te staan hun problemen en conflicten zelf op te lossen binnen de krijtlijnen van het Recht. Hun enige belang bestaat erin om elk probleem of conflict zo lastig te doen lijken, zo verweven met andere dingen, dat alleen een politiek afgedwongen oplossing zinvol lijkt. Dat is waarom zij altijd alles aan alles willen verbinden, waarmee ze eindeloze reeksen van Gordiaanse Knopen creëren welke alleen door een kundige houw van een zwaard losgemaakt kan worden.

Politieke partijen hebben er geen belang mensen toe te staan te leven volgens het principe van het Recht. Zij weten, natuurlijk, dat er geen vrijheid is zonder verantwoordelijkheid. Daarom beloven zij altijd vrijheid van verantwoordelijkheid. Niet één partij in de aankomende verkiezing voerde campagne onder de slogan “Als je iets wilt, werk er dan voor, spaar ervoor, tot je het je kunt veroorloven!” Wel integendeel, iedereen verklaarde aan het kiespubliek “Als je iets wilt, stem voor ons en wij zullen andere ervoor doen werken, ervoor doen sparen en doen betalen.” Niet één beloofde om haar plannen te bekostigen uit de eigen schatkist (zelfs al waren die bijna geheel en gul gevuld met subsidies uit belastingen waarvoor diezelfde partijen hadden gestemd). “Ontzeg u niets wat u begeert, laat anderen ervoor betalen.” Dat scheen het basisthema te zijn van alle partijen in die – en inderdaad ieder andere – politieke verkiezing. Eén partij was zelf zeer expliciet: “Laat de rijken betalen!”, stond te lezen op hun verkiezingsborden. Dat was oprecht, maar een beetje ongebruikelijk. De meeste partijen kwamen met een iets abstractere boodschap: “Wij zullen de maatschappij zo organiseren dat de overheid altijd over voldoende geld zal beschikken om de dingen die u wenst te betalen.”

In dit tijd gingen de voorstellen tot “herorganiseren van de maatschappij” nog van nationalisatie van meer industrieën en sectoren tot het gebruik van fiscale sancties en stimulansen, om mensen mee te manipuleren en hen zo te doen handelen dat de nationale statistieken erdoor geflatteerd zouden worden. Omdat het toen geldende socialistische idee van een nationale economie zo absurd was, slorpte het zoveel van de energie van de politici op, dat zij nog weinig tijd en zin hadden om zich te bezondigen aan het micro-beheer van het leven van mensen zoals dat op het punt stond de norm van de Westerse binnenlandse politiek te worden. De socialisten van de oude stempel zochten naar totalitaire controle door beleidsvoorstellen te doen die steevast de weerstand van machtige belangengroepen opriepen. Het druppelsgewijze social engineering van de nieuwe totalitairen zou berusten op het aaneenrijgen van een enorm aantal kleine maatregelen, waarvan de meeste niet eens door de radar van de publieke perceptie waargenomen worden, en op de juiste conditionering van mensen door middel van het selectieve beheer van aan- en ontmoedigingen. Natuurlijk zou geen van de één-thema-fascisten die de agenda van het politieke syndicaat bepaalden ooit bekennen een totalitaire visie na te streven – het is de som van al hun agenda’s tezamen die het geheel totalitair maakt. Maar de één-thema-fascisten waren nog geen prominente kracht in het politieke landschap toen ik voor de tweede keer in mijn leven naar het stemlokaal gevorderd werd. We waren toen nog verondersteld om te stemmen op grond van een ideologie eerder dan op onsamenhangende collages van oneliners.

Ik vond het fascinerend en verhelderend om mijn overwegingen over politiek te vestigen in het principe van de rule of law. Het gaf mij de mogelijkheid om door de ideologische window-dressing heen te kijken naar de Staat die het voor hen mogelijk maakte om te denken dat zij in bij machte zouden zijn om de maatschappij te herorganiseren door alleen maar een verkiezing te winnen.

Onder de rule of law, zo dacht ik, zou de wetgever zich niet inlaten met het opleggen van allerlei regels en reglementen aan mensen die het Recht naleven. Hij zou zich alleen bekommeren om het organiseren van een verweer tegen zij die zich boven op buiten het Recht opstelden, en om dat verweer zelf binnen de grenzen van het Recht te houden. Met andere woorden, wanneer men de georganiseerde defensie van het Recht de “Overheid” noemt, dan zou de wetgeving bindend zijn voor de Overheid, maar niet voor de vredelievende, rechtschapen burger. In dat geval zou de scheiding der machten zin hebben. Zonder de bevoegdheid om wetgeving bindend te maken voor de onderdanen, zouden de Volksvertegenwoordigers slechts vertegenwoordigers van het volk zijn, en niet de assistent-heersers. De Wetgevende Macht zou dan uitgeoefend worden door de Vertegenwoordigers van het Volk, niet door een bende streberige politici die verlangen naar een zitje in het uitvoerende orgaan. Tenslotte, haar bestaansreden is niet erop toe te zien dat het volk effectief en efficiënt geregeerd worden, maar om erop toe te zien dat niets wat de overheid doet strijdt met de rechten en vrijheid waar mensen op kunnen bogen onder de rule of law.

Maar natuurlijk, we hebben geen rule of law. Wat we wel hebben is een particratie die ernaar streeft om de rechtsstaat te ondermijnen en de rule of law straffeloos af te schaffen.

Stemmen voor een Vertegenwoordiger van het Volk onder de rule of law scheen zin te hebben. De vraag die de kiezer dan zou worden voorgelegd is: “Wie is, volgens u, het best in staat om de machten van de overheid te controleren om te vermijden dat zij mensen van hun vrijheid of eigendom zou beroven?” Maar dat was niet de vraag die ik te beantwoorden kreeg in die bepaalde verkiezing. Bij gebrek aan rechtsstaat moest ik een andere vraag beantwoorden, namelijk: “Welke partij is, volgens u, het meest geschikt om belastingen te heffen en te heersen over u en alle anderen die onderworpen zijn aan het gezag van deze Staat?” Kortom, ik werd gevraagd om niet alleen mijn eigen meester te kiezen, maar ook de meester van al mijn landgenoten. Ik kon maar niet begrijpen waar ik het recht haalde om die keuze te maken. De kans dat mijn stem doorslaggevend zou zijn was zo goed als onbestaande, maar dat was ruim onvoldoende om alle morele wroeging weg te nemen. Iemand zijn stem zou wel doorslaggevend zijn – en waar haalde die het recht om zijn keuze aan iedereen op te dringen?

In een rechtsstaat zouden de kiezers het recht hebben om na te gaan of een bepaalde vertegenwoordiger of een bepaalde groep vertegenwoordigers zich behoorlijk kwijten van hun taak de misbruiken van de overheid te controleren. Zij zouden er alleen maar op moeten toezien hoe effectief hun vertegenwoordigers de macht van de regering om zich boven het Recht te verheffen weten te beperken. Maar hoe kunnen de kiezers zonder rechtsstaat nagaan of de verkozen heersers goed heersen over anderen? Welk moreel gezag kan men verbinden aan het feit dat ik het goed vind dat hij jou zus en zo belast of aan regels onderwerpt, of aan het feit dat jij het goed vindt hoe hij mij belast of aan regels onderwerpt? Wat voor een rechtvaardiging is het wanneer een politicus jouw klacht wegwuift met het argument dat voor wat hij deed hij mijn toestemming had, of wanneer hij mijn grieven onder de mat veegt door te wijzen op jouw toestemming?

Ik besefte vrij snel dat er een zwakke plek in mijn denken zat. Hoe kan men het risico op samenzwering tussen volksvertegenwoordiging en regering vermijden? Of beter, als er uit de geschiedenis lessen te trekken zijn, hoe kan men de quasi zekerheid van een dergelijke samenzwering vermijden, niet alleen op korte, maar ook langere termijn? Dat was een vervelend probleem, maar ik was ervan overtuigd dat stemarrangementen op zijn best slechts een klein deel van het antwoord zouden vormen – als er al een antwoord bestond.

In elk geval, in de gegeven omstandigheden, kon ik niet om de conclusie heen dat gaan stemmen de verloochening zou zijn van alle principes die mij als de essentie van de beschaafde co-existentie waren voorgesteld: de rule of law, de scheiding der machten, de verantwoordingsplicht van de regering tegenover de vertegenwoordigers van het volk en het principe dat hun handelingen nietig zouden zijn wanneer zij zouden pogen het volk te regeren in plaats van het volk te vertegenwoordigen ten aanzien van haar controlerecht.
- Maar je moet stemmen. Jouw stem kan het verschil maken.
- Ja, dat is een deel van het probleem. Als ik de doorslaggevende stem heb, de stem die het verschil maakt, zou ik dan niet een beetje een dictator zijn, die niet alleen over mijn lot, maar ook over dat van miljoenen anderen beslist?
- Da’s waar, maar je zou het niet weten.
- Is dat jouw idee van democratie: een dictatuur gehuld in anonimiteit en gerechtvaardigd door serendipiteit?
- Kijk, je moet realist blijven. Je kan het systeem nu eenmaal niet veranderen. If you can’t beat ‘em, join ‘em.
- Meeheulen met de meute? En nog iets: Hoe valt jouw “Je stem kan het verschil maken” te rijmen met “Je kan het systeem niet veranderen?”
- Misschien kan je het systeem wel veranderen, maar dan moet je dat doen van binnenuit.
- Alsof door te stemmen ik mij in het systeem zou plaatsen? Het systeem wordt voortdurend veranderd van binnenuit; zo blijft het bestaan. Door verandering! Vernieuwing! Een nieuwe start! Verjonging ! Nieuwe gezichten! Het zit in elk partijprogramma. Je gaat toch niet wachten tot je kiezers jouw miskleunen doorhebben alvorens hen te kunnen verzekeren dat het voortaan anders zal gaan, niet?
- Maar waarom moet ik dan stemmen?
- Omdat je zeker bent dat je verliest als je niet stemt.

Dit was duidelijk geen antwoord maar slechts een herformulering van het probleem. Het betekent dat om ook maar de geringste kans te hebben om te winnen men een stem moet uitbrengen. En wat betekent “winnen” in deze context dan? Niets meer dan dat jouw partij de macht kan grijpen en daarmee, haast zonder enige sanctionering, zo ongeveer alles tegenover iedereen kan doen. Om deel te nemen aan de politiek, zelfs al is het slechts in de ondergeschikte rol van kiezer, moet men een barbaarse vooronderstelling aannemen: we zijn allemaal vijanden. En bijgevolg moet ik jou verslaan om door jou niet te worden verslagen. En om jou te kunnen verslaan moet ik mij aansluiten bij een partij en haar discipline aanvaarden, zo niet zal jouw partij haar discipline aan mij opleggen. Maar wat als die vooronderstelling een bijgeloof is, zelf zorgvuldig gecultiveerd door de politiek?

Uitgenodigd worden om op toerbeurt ja of nee te roepen eens in de vier jaar was niet mijn idee van vrijheid. Ik besliste om mijn kans te wagen en mij van stemmen te onthouden. Dat was bijna veertig jaar geleden. In de tussenliggende jaren heb ik nooit enig partij zien opkomen die ook maar het minste begrip, laat staan gehechtheid aan de vrijheid toonde. Misschien waren zij te druk bezig met het bepalen van wat algemeen belang is.

Frank van Dun, 23 September 2006

Uit het Engels vertaald door Arjen De Neve.