De bescherming van lijf en goed in een samenleving zonder overheid

In zijn eentje op zijn eiland kan Robinson Crusoe alles doen wat hij wil. Hij hoeft zich niet af te vragen welke regels mensen nodig hebben om samen te kunnen leven. Dit vraagstuk ontstaat alleen zodra een tweede persoon, Vrijdag, op het eiland komt. Maar zelfs dan blijft dit vraagstuk grotendeels irrelevant zolang er geen schaarste bestaat.

Stel je eens voor dat het eiland het Eeuwige Paradijs is; alle goederen zijn in overvloed aanwezig. Het zijn ‘gratis goederen’, net zoals de lucht die we inademen normaal gesproken een ‘gratis’ goed is. Wat Crusoe ook met deze goederen doet, zijn handelingen hebben geen gevolgen voor Vrijdag (en vice versa) - noch voor zijn eigen toekomstige voorraad van zulke goederen, noch voor de huidige en toekomstige voorraad van dezelfde goederen. Dus is het onmogelijk dat een conflict ontstaat tussen Crusoe en Vrijdag over het gebruik van dergelijke goederen. Een conflict is alleen mogelijk als goederen schaars zijn. Alleen dan zal het nodig worden regels te formuleren die conflictloze sociale samenwerking mogelijk maken.

In het Eeuwig Paradijs bestaan slechts twee schaarse goederen: het fysieke lichaam van een persoon en de plek waarop deze persoon staat. Crusoe en Vrijdag hebben beiden slechts één lichaam en kunnen slechts op één plek zijn op een bepaald tijdstip. Dus, zelfs in het Eeuwig Paradijs kunnen conflicten tussen Crusoe en Vrijdag ontstaan. Immers Crusoe en Vrijdag kunnen niet tegelijkertijd op dezelfde plek staan zonder een lichamelijk conflict te krijgen. Daarom moeten zelfs in het Eeuwig Paradijs regels bestaan om op een goede manier met elkaar te kunnen samenleven. Buiten het Eeuwig Paradijs, waar schaarste heerst, moeten er regels zijn, niet alleen voor de omgang met mensen zelf, maar ook voor de omgang met alle objecten die schaars zijn. Alleen zo kunnen alle mogelijke conflicten worden uitgesloten. De kernvraag is dus hoe de samenleving georganiseerd moet worden om conflicten zo veel mogelijk te vermijden en ontstane conflicten zo effectief en efficiënt mogelijk op te lossen.


De Klassiek Liberale inrichting van de samenleving

In de geschiedenis van het maatschappelijk en politiek denken, zijn talloze voorstellen aangedragen als oplossing voor het probleem van de inrichting van de maatschappij en heeft deze verscheidenheid van onderling tegenstrijdige en soms zelfs onverenigbare opvattingen ertoe bijgedragen dat de zoektocht naar dé ‘correcte’ oplossing vaak een illusie is gebleken. Toch bestaat dé correcte oplossing. Deze oplossing is al honderden jaren bekend. Tegenwoordig wordt deze eenvoudige oplossing meestal geassocieerd met het “klassiek liberalisme”.

Laat mij de oplossing formuleren, eerst voor het bijzonder geval van het Eeuwig Paradijs en daarna voor het algemeen geval van de “reële” wereld van schaarste waarna ik aangeef waarom deze oplossing zowel rechtvaardig als economisch efficient moet worden beschouwd.

In het Eeuwig Paradijs is de oplossing samengevat in de simpele regel dat iedereen zijn eigen lichaam mag plaatsen of verplaatsen waar hij maar wil, mits niemand anders diezelfde plaats bezet houdt. Buiten het Eeuwig Paradijs, in een wereld waarin alles schaars is, vind je de oplossing met behulp van vier met elkaar verband houdende regels:

Allereerst is elke persoon de eigenaar van zijn eigen lichaam. Wie anders dan Crusoe zou de eigenaar van Crusoe’s lichaam moeten zijn? Als iemand anders de eigenaar van Crusoe’s lichaam zou zijn, zouden we van slavernij spreken en we weten allemaal dat slavernij noch rechtvaardig noch efficient is. Ten tweede is elke persoon de rechtmatige eigenaar van alle door de natuur gegeven goederen die hij in gebruik heeft genomen door middel van zijn eigen handen, voordat iemand anders dat heeft gedaan. Wie anders dan de eerste gebruiker zou immers de eigenaar moeten zijn? De tweede of de derde die deze goederen in gebruik neemt? Maar in dat geval zou de eerste persoon überhaupt niet de moeite nemen deze goederen in bezit te nemen (want deze zullen nooit zijn eigendom worden). Als je zo redeneert, zou de tweede persoon de eerste eigenaar worden enzovoort, enzovoort. Dat betekent dat niemand ooit toestemming zal hebben zich goederen die niemand in bezit heeft, toe te eigenen en dat de mensheid als gevolg daarvan uit zou sterven. Een andere mogelijkheid is dat de eerste gebruiker, samen met alle latere gebruikers deeleigenaar wordt van de goederen in kwestie. Dan zullen conflicten onvermijdelijk zijn, immers wat moet er gebeuren als de verschillende deeleigenaren onverenigbare ideeën hebben over wat te doen met de goederen in kwestie? Deze oplossing zal ook onrendabel zijn omdat het daarnaast de prikkel vermindert om schaarse goederen voor de eerste keer in gebruik te nemen (als je toch al weet dat je problemen gaat krijgen met andere eigenaren).

Ten derde zal elke persoon die met behulp van zijn lichaam en de goederen die hij zich heeft toegeëigend (volgens het principe wie het eerst komt wie het eerst maalt), nieuwe producten produceert, de rechtmatige eigenaar worden van deze nieuwe producten, op voorwaarde dat hij tijdens het productieproces geen fysieke schade toebrengt aan de goederen die in bezit zijn van een andere persoon.

Tenslotte kan een goed, zodra het als eerste is geproduceerd of toegeëigend, slechts in bezit komen van een nieuwe eigenaar door middel van een vrijwillige contractuele overdracht van het eigendomsrecht van de oude naar de nieuwe eigenaar. Deze overdracht noemen we een ruil.

Alleen een situatie waarbij alle eigendom daadwerkelijk privé eigendom is, maakt het mogelijk dat alle, normaal gesproken onvermijdelijke conflicten, te vermijden zijn. Dat privé-eigendom moet dan wel op eerlijke gronden verkregen zijn. Dat wil zeggen door vrijwillige ruil, door productie of door als eerste natuurlijke hulpbronnen te vinden en tot nut te brengen.


Dwang en samenleving: de rol van de Staat in het Klassiek Liberalisme

Hoe belangrijk deze ontdekking ook is, toch hebben we met een nog lastiger probleem te maken. Zelfs al zouden we weten hoe we alle mogelijke conflicten moeten vermijden, en zelfs al weten we dat als we dat zouden doen de totale welvaart van iedereen gemaximaliseerd wordt, dan betekent dat niet dat iedereen altijd belang heeft bij conflictvermijding. Uiteraard zullen, gegeven de aard van de mens altijd moordenaars, rovers, dieven, gangsters en oplichters bestaan en zal het leven in een samenleving onmogelijk zijn als zij niet worden tegengehouden. Om de regels en orde te handhaven, is het nodig dat de leden van de samenleving voorbereid zijn en de middelen hebben om iemand die het leven en de eigendommen van anderen niet respecteert, te dwingen zich te conformeren aan de regels van de samenleving. Hoe en door wie wordt het afdwingen van wet en orde bereikt?

Het antwoord dat klassiek liberalen en daarnaast vrijwel iedereen geeft, is maar al te bekend. De onmisbare taak van handhaving van orde en veiligheid is de unieke functie van de Staat. Maar wat is de definitie van een Staat eigenlijk? Een Staat is geen persoon of een bedrijf. Een Staat is een instelling die twee unieke eigenschappen heeft. Allereerst is een Staat een instelling met het alleenrecht op besluitvorming. Dit wil zeggen dat de Staat de definitieve rechter is van alle mogelijke conflicten tussen mensen, met inbegrip van alle conflicten tussen de Staat en anderen en tussen de Staat en zichzelf. Bovendien verbiedt de Staat dat iemand in hoger beroep kan gaan bij een andere instantie behalve bij de Staat zelf. Ten tweede is de Staat een instelling met een alleenrecht op belastingheffing. Dat betekent dat de Staat eenzijdig de prijs bepaalt die burgers moeten betalen voor de levering van rechtspraak en orde.


De fouten van het Klassiek Liberalisme

Hoe wijdverspreid de gedachte ook moge zijn dat een instelling als de Staat als producent van orde en regelgeving nodig is, toch laten een paar vrij eenvoudige economische en morele argumenten zien dat deze kijk volstrekt verkeerd is.

Eén van de meest geaccepteerde opvattingen onder politiek economen en politiek filosofen is dat monopolies slecht zijn voor de consument. Hier definiëren we een monopolie als een exclusief privilege toegekend aan één producent van een bepaald goed of een dienst, of als de afwezigheid van “vrije toetreding” tot een bepaalde marktsector. Bijvoorbeeld, slechts één instelling, A, mag een gegeven goed of dienst, X, produceren. Zo’n monopolie is “slecht” voor consumenten omdat zij afgeschermd worden van potentiële nieuwe toetreders tot een bepaald gebied van productie. Hierdoor wordt de prijs van het product hoger en de kwaliteit ervan lager dan onder concurrerende condities. Daarom moet verwacht worden dat door de Staat geproduceerde rechtspraak en regels buitengewoon duur en van bijzonder lage kwaliteit zullen zijn.

Maar dit is niet eens het ergste. De Staat is namelijk niet een gewoon monopolie zoals een melk- of automonopolie die slechte producten produceert tegen hoge kosten. Nee, de Staat is uniek ten opzichte van alle andere instellingen in het feit dat zij niet alleen “goederen” produceert maar ook “bads”, ongewenste producten.

Zoals al eerder opgemerkt is de Staat de definitieve rechter in elke conflictsituatie, de conflicten met zichzelf daarbij inbegrepen. Als gevolg daarvan zal zo’n monopolist in plaats van zich alleen bezig te houden met het voorkomen en oplossen van conflicten, ook conflicten uitlokken, zodat deze in haar eigen voordeel beslecht kunnen worden. Als je dus alleen terecht kunt bij de overheid voor rechtspraak, dan zal deze rechtspraak naar haar eigen voordeel ombuigen, zelfs in geval van grondwetten. Sterker nog, grondwetten en gerechtshoven zijn van de overheid en de beperkingen van het overheidshandelen die daarin geregeld zijn, worden altijd bepaald door personen die bij diezelfde instelling horen. Als deze personen de vrijheid hebben hun macht ongestraft te vergroten ten koste van anderen, zullen zij dat niet nalaten. Het is dan ook voorspelbaar dat de definitie van eigendom en bescherming steeds veranderd zal worden en dat de rechtspraak zo opgerekt wordt, dat deze in het voordeel van de overheid uitvalt. Het idee van eeuwig en onaantastbaar recht dat ontdekt moet worden zal verdwijnen en zal vervangen worden door het idee van recht als regelgeving - als steeds veranderende door de Staat gemaakte regels.

U gelooft het niet, maar het kan nog erger: de Staat is een monopolist van belastingheffing en daar waar degenen die de belasting ontvangen - de werknemers van de overheid - belasting als iets goeds zien, zien degenen die de belasting moeten betalen, deze betaling als iets slechts, als een daad van onteigening c.q. diefstal. Een overheid is dus een door belasting gefinancierde beveiligingsinstelling. Maar eigenlijk is dat een contradictio in terminis: de overheid is een stelende eigendomsbeschermer, die steeds meer belasting “produceert”en steeds minder bescherming levert. Zelfs al zou een overheid haar activiteiten uitsluitend beperken tot de bescherming van de eigendommen van de burgers, zoals klassiek liberalen hebben voorgesteld, zou de volgende vraag opborrelen: hoeveel bescherming moet de overheid produceren. Gemotiveerd, zoals iedereen, door eigenbelang en het afnemend nut van arbeid, maar toegerust met de unieke macht om belasting te heffen, zal een overheidsdienaar zich ten doel stellen de uitgaven voor bescherming te maximaliseren, waarbij mogelijkerwijs de totale welvaart van een land geconsumeerd kan worden door de kosten van bescherming, en tegelijkertijd de productie van bescherming te minimaliseren. Hoe meer geld je kan uitgeven en hoe minder je hoeft te werken, hoe beter af je bent.

Kortom, de beloningsstructuur die inherent is aan de overheid is geen recept voor de bescherming van lijf en goed, maar in plaats daarvan een recept voor een slechte behandeling van de burgers, onderdrukking en uitbuiting. En dit is ook wat de geschiedenis van Staten laat zien; vooral een geschiedenis van ontelbare miljoenen geruïneerde mensenlevens.


Democratie: een enorme vergissing

Op het moment dat het liberalisme ten onrechte had aangenomen dat een overheid nodig was om te zorgen voor orde en recht, ontstond de volgende vraag: Welke vorm van overheid is het meest geschikt voor deze taak? Het klassiek liberale antwoord op deze vraag was helder: democratie. De traditionele vorm van prinselijke of Koninklijke regering was kennelijk onverenigbaar met het idee van de universele rechten van de mens omdat een adellijke regering er een was gebaseerd op privileges. Daarom werd dit uitgesloten. Hoe kon het idee van universele mensenrechten dan gematched worden met het idee van een overheid? Het liberale antwoord was door het openstellen van de mogelijkheid te participeren en entree te krijgen in de overheid op basis van gelijke kansen voor iedereen via democratie. Iedereen, dus niet alleen de adel, kreeg toestemming om een werknemer van de overheid te worden en elke overheidsfunctie uit te voeren.

Maar deze democratische gelijkheid voor de wet heeft niks te maken met het idee van één universeel recht, op gelijke wijze toepasbaar op iedereen, waar dan ook en wanneer dan ook. Sterker nog, de eerder bekritiseerde ongelijkheid van het superieure recht van koningen versus het onderdanige recht van gewone mensen wordt volledig behouden onder democratie. Dit gebeurt via de scheiding tussen publiek en privaat recht en de suprematie van de eerste over de laatste. Onder een systeem van democratie bestaan er geen persoonlijke privileges of personen met privileges. Maar er bestaan wel functionele privileges en functies met een privilege. Zolang zij handelen vanuit een officiële functie, worden ambtenaren en ander overheidspersoneel bestuurd en beschermd door het publiek recht en bekleden daardoor een privilege positie ten opzichte van personen die alleen onder de autoriteit van privaatrecht handelen. Hierbij is het belangrijkste gegeven dat overheidsdienaren toestemming hebben hun activiteiten te bekostigen door middel van het heffen van belasting op burgers die slechts door het privaatrecht worden beschermd. Dus privileges en discriminatie zullen niet verdwijnen. Integendeel. Privileges, wettelijke bescherming en discriminatie zullen niet alleen beschikbaar zijn voor prinsen en andere mensen van adel, maar voor iedereen en kunnen worden uitgevoerd door iedereen.

Het is dus voorspelbaar dat onder democratie de neiging van elke monopolie om prijzen te verhogen en kwaliteit te verlagen, sterker wordt. Als monopolistische erfgenaam beschouwde de koning of prins zijn territorium en volk als zijn persoonlijke eigendom en hield zich bezig met de monopolistische uitbuiting van zijn “eigendom”. In een democratie verdwijnt monopolistische uitbuiting niet. Zelfs al kan iedereen bij de overheid werken, dan nog verdwijnt het onderscheid tussen degenen die heersen en degenen die overheerst worden niet. De overheid en degenen die de overheid besturen, zijn niet één en dezelfde persoon. In plaats van een prins die zijn land als zijn privé eigendom beschouwt, krijgt een tijdelijke en inwisselbare manager de monopolistische leiding over het land. Deze manager is niet de eigenaar van het land, maar zolang hij zijn functie heeft, kan hij het land en het volk in zijn voordeel uitbuiten. Hij is de eigenaar van datgene wat hij consumeert - het zogenaamde usufruct - maar hij is niet de eigenaar van de totale kapitaalvoorraad. Dit sluit uitbuiting niet uit. Integendeel, het maakt de uitbuiting roekelozer en kortzichtiger. Het volgende voorbeeld verduidelijkt deze theorie. Een minister is eigenaar van het salaris dat hij maandelijks opstrijkt. Hij zal dit salaris op calculerende wijze besteden. Hij is echter geen eigenaar van het land en de kapitaalgoederen waarover hij beslissingen neemt. Zijn bereidheid op calculerende wijze om te gaan met dit kapitaal zal altijd lager zijn dan de bereidheid calculerend om te gaan met zijn eigendom. Op deze manier wordt kapitaalconsumptie systematisch gepromoot.


Een privaatrechtelijke samenleving als alternatieve oplossing

Vanuit de gedachte dat democratie als samenlevingsvorm een vergissing is, hoe zou je dan recht en orde moeten behouden gegeven het feit dat nu en in de toekomst altijd criminelen zullen bestaan? De oplossing ligt in een privaatrechtelijke samenleving - een samenleving waar elk individu en instelling onderworpen zijn aan dezelfde set wetten! In deze samenleving bestaan geen staatsrecht dat privileges toekent aan bepaalde personen of functies. Er bestaat ook geen publiek bezit. Er bestaan slechts privaatrecht en privé eigendom. Dit privaatrecht is in gelijke mate toepasbaar op iedereen. Je hebt alleen toestemming eigendom te verkrijgen door het toe-eigenen van kapitaal of land dat voorheen door niemand in bezit was, door productie, of vrijwillige ruilhandel. Daarnaast bezit niemand het privilege om een ander te verbieden zijn eigendom te gebruiken om wat dan ook te kunnen produceren en met wie dan ook te concurreren.

Bovendien moeten productie en onderhoud van het recht uitgevoerd worden door vrij gefinancierde en concurrerende individuen en instellingen, zodat deze rechtvaardig en efficiënt zijn. Hoe kan dit gedaan worden? Hoewel het onmogelijk is de exacte vorm van de “veiligheidsindustrie” die zou ontstaan in een privaatrechtelijke samenleving te voorspellen - net zoals dit onmogelijk is voor de specifieke structuur van elke (nog) niet bestaande industrie - kan, in vergelijking met de huidige toestand van de door de Staat geleverde veiligheid, een behoorlijk aantal fundamentele structurele veranderingen voorspeld worden.

Allereerst mag één aspect van de oplossing onder geen beding over het hoofd gezien worden ook al is deze van ondergeschikt belang. Terwijl de voorziening van orde en recht door de Staat heeft geleid tot volledige ontwapening van de bevolking, waardoor de burger alleen maar hulpelozer wordt tegen criminelen die vaak wel illegaal bewapend zijn, hebben burgers in een privaatrechtelijke samenleving het recht vuurwapens en andere wapens te bezitten. Het recht je eigen lijf en goed te kunnen verdedigen tegen aanvallers is namelijk heilig. En zoals men weet uit de praktijk van het in werkelijkheid niet-zo-wilde Wilde Westen en uit talrijke empirische onderzoeken naar de relatie tussen de frequentie van wapenbezit en criminaliteitscijfers, betekenen meer wapens bij de burger, minder misdaad. Intuïtief weet iedereen dit, maar de overheid probeert dit met behulp van propaganda onophoudelijk te ontkennen.

Echter in complexe moderne samenlevingen zal zelfverdediging slechts een klein deel van de totale productie van veiligheid beslaan. In de hedendaagse wereld produceren we namelijk niet onze eigen schoenen, maatpakken en mobiele telefoons; we profiteren van de voordelen van arbeidsdeling. Dit geldt dus ook voor de productie van veiligheid. In sommige gevallen vertrouwen we nu ook al op gespecialiseerde agenten en instellingen om onszelf en onze eigendommen te beschermen.

Vele mensen vertrouwen tegenwoordig vrij gefinancierde en concurrerende verzekeringsmaatschappijen voor hun bescherming. Dit vertrouwen in verzekeraars zal toenemen en intenser worden naarmate de waarde van iemands bezit groter is. Verzekeringsmaatschappijen op hun beurt zullen intens samen gaan werken met politie- en detectivebedrijven, ofwel direct als een afdeling binnen het bedrijf van de verzekeraar of indirect als een apart bedrijf. Tegelijkertijd zullen verzekeringsbedrijven continu samenwerken met interne en onafhankelijke externe arbitragebedrijven.

Hoe zou dit concurrerend systeem van onderling verbonden verzekeraars, politie en arbitrage-instellingen in de praktijk kunnen werken? Concurrentie tussen verzekeraars, politie en arbitrage instellingen voor betalende klanten zou leiden tot een alsmaar dalende prijs van bescherming (per verzekerde waarde), waardoor bescherming beter betaalbaar wordt. In tegenstelling daarmee, zal een monopolistische beschermer die belasting kan heffen (zoals de overheid), een steeds hogere prijs voor zijn diensten vragen.

Bovendien zijn bescherming en veiligheid goederen en diensten die concurreren met andere goederen en diensten. Als meer geld uitgegeven wordt om bescherming te kopen, kan er minder uitgegeven worden aan bijvoorbeeld auto’s, vakanties, eten of drinken. Daarnaast zullen middelen besteed aan de bescherming van persoon A of groep A (mensen die in de Randstad wonen bijvoorbeeld), concurreren met middelen uitgegeven aan de bescherming van persoon B of groep B (mensen die in Drenthe wonen). De Staat die een door belastinggeld gefinancierde monopolist van de productie van veiligheid is, zal deze middelen dus willekeurig over burgers verdelen. Er zal overproductie (of onderproductie) zijn van veiligheid vergeleken met andere concurrerende goederen en diensten en er zal overbescherming zijn van bepaalde individuen, groepen of regio’s en onderbescherming van anderen.

In scherp contrast hiermee, zal alle willekeurigheid (alle over- en onderproductie) in een systeem van vrij concurrerende beschermingsbedrijven, verdwijnen. Bescherming krijgt het relatieve belang toebedeeld dat het heeft in de ogen van vrijwillig betalende klanten en geen enkele persoon, groep of regio zou bescherming krijgen ten koste van een ander, maar een ieder zou bescherming krijgen in overeenstemming met hoeveel hij/zij wenst daar aan uit te geven.

Daarnaast, zouden verzekeraars hun klanten schadeloos moeten stellen in het geval van werkelijke schade en moeten dus efficiënt opereren. Wat betreft criminaliteit in het bijzonder, betekent dit dat de verzekeraar er vooral voor zal willen zorgen dat criminaliteit op effectieve wijze voorkomen wordt, want als de verzekeraar een misdaad niet kan voorkomen, zal hij moeten betalen. Verder zou als een misdaad niet kan worden voorkomen, de verzekeraar er alles aan doen om de gestolen goederen terug te krijgen, de misdadiger te pakken en hem naar de rechtbank te leiden, want door dit te doen kan de verzekeraar zijn kosten verlagen en de misdadiger dwingen - in plaats van het slachtoffer en zijn verzekeraar - de veroorzaakte schade en de kosten van schadeloosstelling te betalen.

In scherpe tegenstelling hiermee vergoedt de Staat slachtoffers van criminaliteit niet. En omdat de Staat zich kan beroepen op belasting als een bron van inkomsten, heeft zij nauwelijks een prikkel een misdaad te voorkomen of om de gestolen goederen terug te krijgen en boeven te vangen. Sterker nog, als de Staat er dan toch in slaagt een misdadiger te pakken, dwingt zij het belasting betalende slachtoffer en anderen te betalen voor de gevangeniskosten die nodig zijn om de misdadiger vast te zetten, waarmee het slachtoffer dubbel gepakt wordt.

We hebben al gezien dat privaatrechtelijke samenlevingen worden gekenmerkt door een onbeperkt recht op zelfbescherming en daarmee een wijdverspreid eigenaarschap van privé wapens. Deze tendens wordt verder versterkt door de belangrijke rol van verzekeringsmaatschappijen in dit soort samenlevingen. Alle Staten proberen hun bevolkingen namelijk te ontwapenen, met als duidelijke reden dat het minder gevaarlijk is om belasting te innen van een ongewapende dan van een gewapende man. Maar als een verzekeraar zou eisen van potentiële klanten dat zij alle mogelijke middelen van zelfbescherming aan de verzekeraar moesten overhandigen, dan zou dat direct behoorlijk verdacht overkomen. De klant zou denken dat de verzekeraar iets slechts voor hem in petto heeft en de verzekeraar zou snel failliet gaan. In hun beste eigenbelang zouden verzekeraars gewapende klanten belonen, en in het bijzonder die klanten die een bewijs van een zeker niveau van training in het omgaan met wapens konden overleggen. In dat geval zouden klanten lagere premies, die een lager risico weerspiegelen, hoeven betalen. Net zo als verzekeraars minder kosten rekenen aan huiseigenaren die een bewakingssysteem of een kluis hebben, zo zal een getrainde wapeneigenaar een lager verzekeringsrisico hebben.

De Staat is een door belastinggeld bekostigde monopolist die voor alle burgers de wetten bepaalt en kan dus de kosten van haar agressieve gedrag verhalen op de onfortuinlijke belastingbetaler. Daarom zijn Staten meer geneigd om agressief en oorlogszuchtig te worden dan bedrijven die zelf moeten opdraaien voor de kosten gemoeid met agressie en oorlog. Verzekeringsmaatschappijen zijn van nature meer defensief dan agressief ingesteld. Dit is enerzijds zo omdat elke agressieve daad duur is en als de verzekeraar zich in zou laten met agressief gedrag zou deze veel hogere premies moeten vragen aan haar klanten, wat zou betekenen dat zij klanten zou verliezen aan minder agressieve concurrenten Anderzijds is het niet mogelijk jezelf te verzekeren tegen elk mogelijk “risico”. Het is slechts mogelijk je te verzekeren tegen “ongelukken”, dat wil zeggen risico’s waarop de verzekerde geen invloed heeft en waar hij zelf niets aan bijdraagt. Het is bijvoorbeeld mogelijk jezelf te verzekeren tegen het risico op overlijden of op brand, maar het is onmogelijk je te verzekeren tegen het risico op het plegen van zelfmoord of het risico je eigen huis in de brand te steken. Net zoals het onmogelijk is je te verzekeren tegen het risico dat je bedrijf failliet gaat, dat je werkeloos wordt of dat je je buurman niet leuk vindt. Op al deze zaken kun je namelijk zelf gedeeltelijk invloed uitoefenen.

De onverzekerbaarheid van individuele acties en gevoelens (in tegenstelling tot ongelukken) betekent dat het ook onmogelijk is jezelf te verzekeren tegen het risico op schade die voortkomt uit je eigen agressie of provocatie. Elke verzekeraar moet de acties van haar klanten dusdanig beperken dat de verzekerden zich niet kunnen verzekeren tegen eigen daden van agressie of provocatie. Dat betekent dat elke verzekering tegen misdaad als voorwaarde heeft dat de verzekerde zich aan bepaalde normen van niet-agressief gedrag houdt. Overigens zullen verzekeraars vanwege dezelfde financiële redenen van hun klanten eisen dat zij niet het recht in eigen hand gaan nemen (behalve misschien in zeer speciale omstandigheden). Als burgers het recht in eigen hand nemen, zelfs al hebben zij gelijk, ontstaat er ontegenzeggelijk chaos en kan dat reactie bij derden uitlokken. Door hun klanten te verplichten vooraf bepaalde procedures te volgen op het moment dat zij slachtoffer denken te zijn van misdaad, kunnen dit soort verstoringen en daarmee samenhangende kosten grotendeels vermeden worden.

Bovendien zullen overheden zich bezighouden met het vervolgen van slachtofferloze misdaad, zoals “illegaal” drugsgebruik, prostitutie of gokken. Dit soort “misdaad” zou in een systeem van vrijwillig gefinancierde beschermingsbedrijven nauwelijks of geen aandacht krijgen. “Bescherming” tegen dergelijke “misdaad” zou namelijk hogere premies vereisen, maar omdat dit type “misdaad”, in tegenstelling tot echte misdaad tegen personen en eigendom, geen slachtoffers veroorzaakt, zullen maar weinig mensen bereid zijn hun eigen geld te besteden aan dit soort “bescherming”

Tenslotte zal een systeem met beschermingsbedrijven die met elkaar concurreren, een tweeledige impact hebben op de ontwikkeling van het recht. Enerzijds zal een grotere variatie van recht ontstaan. In plaats van het opleggen van een uniforme set standaard regels die voor iedereen gelden (zoals geldt in een staatssysteem), zullen beschermingsbedrijven niet alleen op prijs met elkaar concurreren maar ook op productdifferentiatie. Katholieke beschermingsbedrijven die canoniek recht toepassen zouden bijvoorbeeld naast Joodse bedrijven en bedrijven die Islamitisch recht toepassen kunnen bestaan. Al deze bedrijven zouden alleen kunnen overleven als klanten vrijwillig aan hun betaalden. Consumenten zouden dan kunnen kiezen voor het recht dat bij hen en hun eigendommen past en niemand zou onder “vreemd”recht hoeven leven.

Aan de andere kant zou precies dat systeem van de productie van privaatrecht een tendens bevorderen richting de eenwording van recht. Het “groeps”recht - Katholiek, Joods, Romeins, etc. - zou alleen toepasbaar zijn op die personen en eigendom van diegenen die het hadden gekozen, op de verzekeraar en op alle andere verzekerden door diezelfde verzekeraar onder het zelfde recht. Canoniek recht, bijvoorbeeld, zou alleen toepasbaar zijn op katholieken die zich daar voor uitgeven en alleen conflicten tussen katholieken onderling behandelen. Maar het is natuurlijk ook mogelijk dat een katholiek in conflict komt met iemand van een ander geloof, bijvoorbeeld met een moslim. Als de wetten van beide groepen tot dezelfde of vergelijkbare conclusies komen, is er geen probleem. Komen zij echter tot verschillende conclusies (wat in sommige gevallen zeker zal gebeuren), dan ontstaat een probleem. Het recht van je eigen groep is dan nutteloos, maar elke verzekerde persoon zou ook graag bescherming willen tegen mogelijke conflicten met mensen uit andere groepen. Voor alle betrokken partijen is er slechts één geloofwaardige en geaccepteerde weg uit deze hachelijke positie. Elke verzekeraar wordt in deze positie gedwongen zichzelf en haar klanten te onderwerpen aan een onafhankelijke derde partij. Deze partij zou niet alleen een onafhankelijke entiteit zijn, maar tegelijkertijd de unanieme keuze van beide partijen. Zij zouden daartoe overeenkomen omdat zij een gemeenschappelijk positief beeld hebben over de vaardigheden van deze partij om conflicten tussen groepen op eerlijke wijze op te lossen.

Kortom er zouden beschermings- en veiligheidscontracten ontstaan. Verzekeraars (in tegenstelling tot Staten) zouden hun cliënten contracten aanbieden met goed gespecificeerde eigendomsbeschrijvingen en duidelijk gedefinieerde plichten en verplichtingen. Op dezelfde manier zou de relatie tussen verzekeraars en arbitragebedrijven gereguleerd worden door contracten. Elke partij, zou gedurende het contract of tot beëindiging ervan, gebonden zijn aan haar voorwaarden; en elke verandering in de voorwaarden van het contract zou de unanieme goedkeuring van alle betrokken partijen vereisen. Dat betekent dat in een privaatrechtelijke samenleving er geen “wetgeving” zou bestaan, in tegenstelling tot een systeem waar een overheid wetten maakt. Geen enkele verzekeraar zou ermee wegkomen bescherming te beloven aan hun klanten zonder hen te laten weten hoe of tegen welke prijs deze bescherming wordt geleverd. Stel je de situatie eens voor dat de verzekeraar eenzijdig de voorwaarden van het contract tussen jou en hem kan veranderen. Geen enkele klant zou daarvoor tekenen. Toch is dit exact wat het “contract” tussen de overheid en de burger inhoudt. Wat de overheid je vandaag biedt, kan zij morgen zomaar niet meer bieden. Verzekerde klanten zouden iets veel beters eisen en verzekeraars zouden contracten en standvastig recht aanbieden, in plaats van beloften en steeds veranderende regelgeving.

Daarnaast zal, als resultaat van een voortdurende samenwerking tussen verschillende verzekeraars en arbitragebedrijven, een tendens ontstaan naar de eenwording van eigendoms- en contractrecht en de harmonisering van de regels van procederen, bewijsvoering en conflictoplossing. Door het kopen van beschermingsverzekeringen, zou iedereen delen in het gemeenschappelijke doel van het streven naar het verminderen van conflicten en het versterken van veiligheid. Bovendien zal elk uniek conflict en elke schadeclaim, onafhankelijk van waar of door wie of tegen wie, onder de jurisdictie vallen van een of meer specifieke verzekeringsinstellingen en behandeld worden door hetzij individueel “ groepsrecht” van een verzekeraar of door “ internationaal” rechtelijke voorzieningen en procedures waarover van tevoren door een groep verzekeraars overeenstemming is bereikt.

Zo’n systeem zou een veel volledigere en perfectere rechterlijke stabiliteit en zekerheid opleveren dan welk ander systeem van de productie van veiligheid waar we tegenwoordig een beroep op kunnen doen.

Vertaling: Ruben Jongkind