Fractional reserve parking

Bankieren voor beginners

Wie de afgelopen maanden niet in afzondering heeft doorgebracht, weet dat het financieel systeem wereldwijd getroffen wordt door de hevigste crisis sinds de Grote Depressie. Eén na één vallen grote en kleine banken, ondanks verwoede inspanningen van overheden en centrale banken om de sector overeind te houden.

Zoals altijd is de huidige crisis een bron van inspiratie voor opiniebijdragen en voorstellen om de wereld te verbeteren. Helaas is het gewoonlijk zo dat de meeste analyses verkeerd zijn, en de meeste voorstellen goedbedoeld maar niet efficiënt. Daar komt nog bij dat geld, banken en beurzen vrij ingewikkelde zaken zijn. Nochtans kunnen we het hele probleem in feite samenvatten met één conceptueel onderscheid: het belangrijke verschil tussen een "lening" en een "bewaargeving".

Lening versus bewaargeving

Wanneer je je jas afgeeft aan een vestiaire, dan is dat een bewaargeving: je mag je jas gaan terughalen wanneer je wil. Het is niet de bedoeling dat de mensen van de vestiaire intussen je jas verhuren of verkopen of gebruiken voor zichzelf. Wanneer je je wagen in een parkeergarage zet, dan verwacht je niet dat de eigenaar van de parkeergarage je auto zal verhuren of gebruiken om zelf rond te rijden.

Een bewaargeving betekent dus dat je iets toevertrouwt aan iemand, en dat die persoon jouw eigendom moet bewaren - vandaar de naam, natuurlijk - tot jij het voorwerp komt afhalen. Natuurlijk zal je die persoon daarvoor moeten vergoeden, net zoals je doorgaans moet betalen voor een vestiaire of een parking.

Bij een lening zit dat echter helemaal anders. Bij een lening geef je een voorwerp aan een ander, met expliciete toestemming aan die andere persoon om dat voorwerp te gebruiken. Wanneer je je auto uitleent aan vrienden die twee weken naar Frankrijk willen, dan heb je hen de toestemming gegeven om inderdaad naar Frankrijk te rijden met die auto. En het spreekt vanzelf dat je hen niet zomaar zal opbellen wanneer ze net in Lyon zijn om je auto terug te eisen - je hebt hem namelijk uitgeleend voor twee weken, en je zal hem pas na twee weken terugkrijgen. Allicht krijg je op één of andere manier een vergoeding voor die lening, tenslotte heb je je auto twee weken niet kunnen gebruiken.

Dit onderscheid is dus zeer eenvoudig. Wanneer ik een voorwerp in bewaring geef, dan heb ik het recht om dat voorwerp terug op te halen wanneer ik dat wil. Het is logisch dat ik een vergoeding zal moeten betalen, zeker wanneer het om een groot of gevaarlijk voorwerp gaat. De persoon die mijn voorwerp in bewaring neemt, moet er goed zorg voor dragen en moet het altijd beschikbaar houden - tenslotte kan ik op eender welk ogenblik mijn auto uit de parkeergarage halen.

Wanneer ik een voorwerp uitleen voor een bepaalde periode, dan heb ik niet het recht om het voorwerp in die periode te gebruiken. De persoon die het voorwerp leent, mag dat voorwerp gebruiken. Aangezien ik in die periode niet over mijn voorwerp kan beschikken, zal ik een vergoeding vragen - bijvoorbeeld de interest op een geldlening.

Maar wat heeft dat nu te maken met bankcrisissen?

De bank als een parkeergarage

Wat er in het huidige financiële systeem gebeurt, is een verwarring tussen die twee soorten overeenkomsten. Mensen zetten geld op hun zichtrekening, en ze gaan ervan uit dat ze dat geld onmiddellijk kunnen gebruiken (dat ze hun geld 'op zicht' kunnen opvragen, dat ze met Bancontact kunnen betalen, overschrijven enzovoort), net zoals iemand die zijn auto in een parkeergarage plaatst ook verwacht dat hij op elk ogenblik z'n wagen kan terughalen.

Maar de bank gebruikt dat geld om leningen op lange termijn uit te geven, bijvoorbeeld aan gezinnen die een huis bouwen. Bij wijze van spreken heeft de uitbater van de parkeergarage jouw auto uitgeleend aan mensen die een maand naar Frankrijk willen, terwijl jij er nog altijd van overtuigd bent dat je op eender welk moment je wagen uit de garage kan halen.

De grote verwarring is dat niemand precies weet wat voor overeenkomst hij nu precies heeft met de bank: is het geld op mijn rekening een 'bewaargeving' (zodat ik het steeds mag opvragen) of een 'lening' (zodat ik er interest op krijg)? De verwarring is zo groot dat we verwachten dat we tezelfdertijd interest krijgen (zelfs op een zichtrekening, al is het niet veel) en toch steeds aan ons geld kunnen. Maar als we steeds aan ons geld kunnen, als het echt meteen beschikbaar is, waarom zouden we dan interest moeten krijgen? Kortom, hier klopt iets niet: wanneer je geld krijgt om je auto in iemands parkeergarage te plaatsen, dan is er iets niet pluis...

Wanneer ik dan mijn auto uit die parkeergarage wil halen, blijkt plots dat m'n wagen uitgeleend is aan mensen die ermee naar Frankrijk zijn en die pas volgende maand terugkomen. Dan ontstaat er natuurlijk chaos. Ik had de uitbater vertrouwd, en ik ging ervan uit dat ik mijn wagen uit de garage kon halen. Ik was van plan om zo dadelijk naar huis te rijden, morgen boodschappen te doen en in het weekend naar zee te rijden - die plannen vallen nu in het water, want mijn auto is verdwenen: zal ik nog naar huis kunnen vanavond?

Wanneer andere mensen horen dat mijn wagen verdwenen is, ontstaat er paniek: iedereen gaat plots zijn auto uit de garage halen. En nog meer mensen stellen vast dat hun wagen niet in de garage staat, maar door de uitbater verhuurd werd.

Op dat punt vraagt de uitbater van de parkeergarage aan de overheid om dringend nieuwe wagens te kopen voor hem, zodat hij gratis zijn parkeergarage opnieuw kan vullen. Zo kan de uitbater aan de gedupeerden toch een auto teruggeven. De uitbater heeft sterke argumenten om de overheid te overtuigen: we willen toch niet dat duizenden onschuldige mensen straks niet naar huis kunnen?

Hoe vermijden we de parkeergarage-crisis?

Klinkt dit verhaal vertrouwd? Het huidige banksysteem wordt geteisterd door de gevolgen van slecht gedefinieerde contracten. Er zijn twee mensen die tezelfdertijd denken dat ze over een bepaald voorwerp mogen beschikken: iemand denkt dat hij vanavond naar huis kan met de wagen, terwijl anderen intussen met diezelfde wagen naar Frankrijk zijn. U denkt dat het geld op uw zichtrekening altijd beschikbaar is, maar intussen wordt datzelfde geld door een jong gezin gebruikt om een woning te kopen.

Natuurlijk kan er slechts één van de twee gelijk hebben. De verwarring wordt duidelijk wanneer veel mensen ineens hun wagen uit de parkeergarage willen halen - dan blijkt hoeveel wagens er eigenlijk verhuurd zijn. Het wordt duidelijk dat meerdere mensen erop gerekend hadden om dezelfde auto te kunnen gebruiken. Die plannen zijn tegenstrijdig, en het gevolg is chaos.

Om zulke problemen te vermijden, volstaat het echter dat iedereen het onderscheid tussen 'lening' en 'bewaargeving' toepast.

Wanneer je dan een autoverhuurbedrijf wil opstarten, moet je dus
- ofwel zelf auto's kopen om te verhuren (hiervoor heb je als verhuurder startkapitaal nodig)
- ofwel zelf auto's lenen, op een vaste en duidelijke termijn (zodat je precies weet wanneer je welke auto's zal moeten teruggeven).

De auto's die je verhuurt, zijn dan ofwel je eigendom (en in dat geval mag je er natuurlijk mee doen wat je wil), ofwel heb je ze zelf geleend op een vaste termijn. Dat betekent dat je precies weet wanneer je welke auto moet teruggeven aan de rechtmatige eigenaar. Het kan niet gebeuren dat de eigenaars onverwachts hun wagens terug willen: ze mogen hun wagens slechts terugvragen bij het einde van de afgesproken termijn.

Wanneer je daarentegen een parkeergarage wil uitbaten, moet je strikt de principes van bewaargeving naleven: je laat de wagens staan en je doet je best om ze goed te bewaren. Je klanten mogen op elk ogenblik naar de garage komen om hun wagens te halen, en natuurlijk vraag je een vergoeding voor de bewaring. Wanneer je duidelijk de principes van bewaargeving toepast, hoef je niet bang te zijn voor een 'parkeergarage-crisis': wanneer iedereen tegelijk zijn wagen uit je garage komt halen, is dat perfect mogelijk.

Het onderscheid tussen lening en bewaargeving is uiteindelijk gebaseerd op gezond verstand: wanneer twee mensen op hetzelfde moment denken dat ze over dezelfde wagen kunnen beschikken, zullen hun plannen tegenstrijdig zijn. In ons voorbeeld dachten sommige mensen dat ze met een auto naar Frankrijk konden rijden, terwijl iemand anders dacht dat hij met precies dezelfde auto vanavond nog naar huis zou kunnen. Wanneer we de principes van een lening en een bewaargeving strikt toepassen, vermijden we zulke problemen. De wagens in de parkeergarage zijn altijd beschikbaar voor de eigenaar. De wagens die verhuurd worden, zullen tijdens de huurperiode niet plots door de oorspronkelijke eigenaar opgevraagd worden.

Hoe werkt het banksysteem?

Is dit voorbeeld wel correct? Is het banksysteem niet veel complexer dan een parkeergarage? Natuurlijk is het bovenstaande voorbeeld sterk vereenvoudigd. Eén van de belangrijkste verschillen is dat auto's uniek zijn, terwijl geldbedragen dat niet zijn: wanneer ik mijn wagen parkeer, wil ik precies dezelfde wagen terug, maar wanneer ik geld op de bank plaats, wil ik niet precies dezelfde bankbiljetten terugkrijgen - zolang het om hetzelfde bedrag gaat.1

Verandert dat onze conclusies? Stel dat alle wagens rode sportwagens van hetzelfde model zouden zijn. Wanneer de uitbater van de parkeergarage mijn wagen heeft doorverhuurd, kan hij mij de wagen van iemand anders geven. Op die manier kan het lang duren vooraleer iemand inziet wat er gebeurt.

Veronderstel dat er honderd wagens in de parkeergarage staan. Elke dag komen ongeveer tien mensen 's avonds hun wagen uit de garage halen, en 's ochtends komen ze die wagen opnieuw parkeren. Uit ervaring weet de uitbater dan dat hij steeds tien wagens beschikbaar moet houden, zodat hij er negentig kan doorverhuren. Wanneer ik mijn wagen kom opvragen, geeft de uitbater mij een andere wagen terug.

Dit gebeurt met het geld dat mensen op hun zichtrekeningen plaatsen. De bank weet uit ervaring dat mensen zelden al hun geld komen opvragen. Om die reden zal de bank het grootste deel van het geld uitlenen, en zal ze slechts een deel van de tegoeden in haar reserves houden. In het Engels heet dit 'fractional reserve banking': de reserves van de bank zijn slechts een fractie van het geld dat op de zichtrekening staat. De parkeergarage doet dan aan 'fractional reserve parking': de wagens die echt in de garage staan, zijn slechts een fractie van alle wagens die er oorspronkelijk in geparkeerd werden.

Maar onze conclusies blijven overeind: in totaal zijn er honderd mensen die ervan overtuigd zijn dat ze op eender welk tijdstip hun wagen kunnen halen. En er zijn bovendien ongeveer negentig mensen die een wagen gehuurd hebben bij de 'fractional reserve parking'. Samen zijn er dus honderdnegentig mensen die denken over een auto te kunnen beschikken, terwijl er in totaal slechts honderd auto's zijn.

Op zekere dag gaan er plots twaalf mensen hun wagen opvragen. De uitbater moet beschaamd toegeven dat er slechts tien wagens in de parkeergarage staan. De twee andere cliënten kunnen hun ogen niet geloven: de parkeergarage is leeg! Het nieuws gaat als een lopend vuurtje, en binnen enkele uren staan de andere bestuurders ook aan de parkeergarage om hun wagen op te vragen - de ondergang van de parkeergarage is een feit.

Van zodra een bank, of de parkeergarage in ons voorbeeld, in moeilijkheden dreigt te komen, komt er een vicieuze cirkel op gang. Want telkens wanneer de bank één cliënt terugbetaalt, is er nog minder geld over om de andere cliënten terug te betalen, waardoor de bank nog dieper in de problemen komt en de paniek nog verder uitzaait.

Wanneer de parkeergarage een reserve van 10 auto's voor 100 klanten heeft (een reserve van 10%), heeft elke klant een kans van 10% om zijn auto terug te zien wanneer iedereen vanavond naar de parkeergarage gaat. Wanneer de parkeergarage één auto teruggeeft aan een klant, zijn er nog 99 klanten en 9 auto's - een verhouding van 9%. Wanneer er vijf auto's teruggegeven zijn, is de verhouding 5/95 of 5,3%. Met andere woorden: hoe meer klanten hun wagen terugnemen, hoe kleiner de kans dat andere klanten hun auto terugkrijgen. Van zodra de klanten de parkeergarage niet meer vertrouwen, hebben ze er alle belang bij om zo snel mogelijk hun auto op te eisen.

Exact hetzelfde principe verklaart waarom de banksector zo gevoelig is voor paniek. Wanneer Bank A 100 miljard zichtrekeningen beheert en een reserve van 20 miljard (20%) houdt, lijkt alles misschien in orde. Maar wanneer 10 miljard van die zichtrekeningen afgehaald wordt, heeft de bank slechts 10 miljard reserve voor 90 miljard zichtrekeningen (11%). En wanneer de paniek toeslaat, wordt de situatie steeds slechter: wanneer klanten 20 miljard van hun zichtrekening zouden halen, heeft de bank geen enkele euro in haar reserves maar moet ze nog steeds 80 miljard aan zichtrekeningen garanderen...

Het fenomeen van een 'bank run', klanten die massaal geld van hun rekening willen halen, is met andere woorden niet irrationeel - het is zelfs ontzettend rationeel. Hoe vroeger je je geld kunt weghalen bij een probleembank, hoe beter. En hoe langer je wacht, hoe kleiner de kans dat je je geld terugziet. 'Bank runs' zijn dus geen paniekreactie, geen dierlijke reflex, maar integendeel perfect redelijk. Zelfs wanneer ik zelf niet twijfel aan mijn bank, maar de andere klanten wel, dan kan ik maar beter zo snel mogelijk mijn geld gaan opvragen.

Een bankcrisis, en de gevolgen voor de economie

Het probleem van een bankcrisis is zeer speciaal. Wanneer bijvoorbeeld een koekjesfabrikant failliet gaat, dan hebben zijn concurrenten nu meer marktaandeel en meer winstmogelijkheden. Andere koekjesfabrikanten wrijven zich dus in de handen wanneer dat gebeurt. In de meeste sectoren van de economie is het zo dat concurrenten blij zijn als één marktspeler verdwijnt.

Bij banken is dat niet zo. Wanneer één bank failliet gaat, zijn de andere banken haast in paniek. Daar zijn meerdere redenen voor.

De eerste reden is eenvoudig: wanneer klanten van Bank A plots hun geld niet meer terugzien, is het mogelijk dat klanten van Bank B twijfelen aan hun eigen bank, en dus ook massaal geld gaan opvragen. Als ook Bank B met fractional reserves werkt, heeft Bank B dus alle reden tot paniek. Wanneer een gigant als Fortis in de problemen komt, is het logisch dat klanten van ING, Dexia... ook twijfelen aan de veiligheid van hun spaarcenten.

De tweede reden is dat banken vaak geld verschuldigd zijn aan elkaar. Wanneer bijvoorbeeld een klant van Bank A 100 euro overschrijft naar een klant van Bank B, dan heeft Bank B 100 euro tegoed van Bank A. Meestal wordt dat geld niet echt opgevraagd, want het is goed mogelijk dat morgen iemand 100 euro overschrijft van Bank B naar Bank A: de verschillende overschrijvingen worden gewoon opgeteld en enkel het saldo wordt vereffend. Maar als Bank A failliet gaat, vraagt ze meteen alle tegoeden op bij andere banken. Die andere banken komen hierdoor in de problemen (hun reserves worden steeds kleiner), en de paniek zaait zich uit.

Een derde reden is dat het faillissement van Bank A ervoor zorgt dat vele klanten plots al hun geld kwijt zijn - klanten die te laat waren om hun tegoeden op te vragen. Er zijn dus gezinnen die al hun spaargeld kwijt zijn, die hun lening niet meer kunnen afbetalen, die hun rekeningen niet meer kunnen betalen; er zijn bedrijven die hun leveranciers niet meer kunnen betalen en geen geld hebben om de lonen van de werknemers uit te keren... omdat hun geld in rook is opgegaan door het bankfaillissement. Andere, gezonde bedrijven dreigen dus failliet te gaan omdat hun geld, en het geld van hun klanten, in één klap verdwenen is. Dat heeft dan weer als gevolg dat heel wat leningen niet terugbetaald worden, omdat gezinnen en bedrijven in grote financiële moeilijkheden komen.

Wanneer Bank A failliet gaat, is het dus waarschijnlijk dat een groot aantal leningen van Bank B niet meer terugbetaald zullen worden. Deze leningen worden dan waardeloos, en zo zit Bank B in een ongemakkelijke situatie. Veronderstel dat Bank B in totaal 100 miljard aan zichtrekeningen beheert, 10 miljard in reserve heeft en 90 miljard heeft uitgeleend aan bedrijven en gezinnen. Als pakweg 10 miljard euro aan leningen waardeloos worden - leningen van failliete bedrijven en gezinnen - heeft Bank B 100 miljard aan zichtrekeningen, gedekt door 10 miljard in de reserve, amper 80 miljard aan kredieten... en een gat in de boekhouding van 10 miljard! Daardoor kan Bank B haar cliënten niet terugbetalen, zelfs wanneer alle andere leningen terugbetaald zouden worden. Het gevolg is, opnieuw, een rationele paniek bij de klanten van Bank B.

Vergelijk dit met de situatie waarbij onverwacht veel klanten van de parkeergarage hun wagen in de prak rijden in Frankrijk. De uitbater heeft dan een ernstig probleem: honderd mensen hadden hun wagen geparkeerd, er staan tien wagens in de garage, en er waren negentig wagens uitgeleend - maar van die negentig wagens zijn er tien total loss... Zelfs wanneer de andere wagens netjes terugkeren, zullen er dus sommige eigenaars hun wagen niet terugzien. De eigenaars hebben dus alle reden om zo snel mogelijk hun wagen op te vragen.

Banken zijn kaartenhuisjes

Op die manier kan het faillissement van één bank een kettingreactie teweegbrengen die andere banken, bedrijven en gezinnen meesleurt in een zware economische crisis. De volledige ondergang van Fortis kan bijvoorbeeld makkelijk het hele Belgische, Nederlandse en Luxemburgse banksysteem meesleuren. Het financiële systeem is dus een reus op lemen voeten: het faillissement van enkele relatief kleine banken kan voldoende zijn om de Amerikaanse en de Europese economie in een crisis te duwen.

Typisch voor banken is dat ze gigantische investeringen financieren met zeer weinig eigen middelen. De investeringen zijn uiteraard de leningen die de banken toekennen aan gezinnen en bedrijven. Het eigen kapitaal van de bank is het geld dat door aandeelhouders geïnvesteerd werd - de netto waarde van de bank. Het grootste stuk van de leningen worden echter gefinancierd door zichtrekeningen, dus door 'vreemd vermogen'. Op die manier kunnen we begrijpen waarom banken in tijden van crisis zo snel kunnen wegsmelten.

Een bank kan bijvoorbeeld 100 miljard euro aan leningen in haar portefeuille hebben, die ze financiert met 10 miljard euro 'eigen middelen' en 90 miljard die ze uit zichtrekeningen haalt. (In totaal heeft de bank misschien 100 miljard euro aan zichtrekeningen, minus 10 miljard in de reserve, dus 90 miljard waarmee ze leningen kan toekennen).

Wanneer alles goed gaat, is de bank netto tien miljard euro waard - de waarde van de eigen middelen. Maar veronderstel dat één procent van de leningen, dus 1 miljard, niet terugbetaald wordt. Aangezien de bank sowieso het geld van de zichtrekeningen zal moeten terugbetalen, wordt dit verlies volledig geïncasseerd door de aandeelhouders: de netto waarde van de bank zakt van 10 miljard tot 9 miljard. Wanneer één procent van de leningen niet terugbetaald wordt, daalt de waarde van de bank met tien procent!

Stel dat er een hevige economische crisis uitbreekt, en vijf procent van de leningen raakt niet terugbetaald - vijf miljard euro die de bank uit eigen zak moet betalen, dus vijf miljard euro verlies voor de bank. De netto waarde is dan gezakt van 10 miljard naar 5 miljard, een daling van 50%. Het is nu makkelijk in te zien dat een "default rate" van tien procent, of 10 miljard niet-terugbetaalde leningen, voldoende is om de bank waardeloos te maken...

Banken en hevige concurrentie

Veronderstel dat u de directeur bent van Bank A, en u voert een hevige concurrentiestrijd met de andere banken - Bank B, Bank C enzovoort. U wil er alles aan doen om meer klanten naar uw bank te lokken en meer winst te maken.

U kent de principes van een lening en van bewaargeving. Maar u beseft ook dat u veel geld kunt verdienen door de principes van bewaargeving niet toe te passen. Wanneer mensen 100 miljard op hun Bank A-zichtrekening geplaatst hebben, dan is het toch zeer verleidelijk om dat geld uit te lenen en een mooie interestvergoeding op te strijken...

Maar u weet dat alle andere banken in net dezelfde situatie verkeren. Ook Bank B vindt het verleidelijk om 'full reserve banking', dus strikte toepassing van de bewaargevingsprincipes, achterwege te laten en over te schakelen op 'fractional reserve banking'.

Bank B is echter uw grote concurrent. En u weet ook dat mensen regelmatig geld overschrijven van Bank A naar Bank B en terug. U bedenkt een briljante strategie: u wacht gewoon af tot de directeurs van Bank B bezweken zijn voor 'fractional reserve banking', maar zelf houdt u zich gewoon aan de bewaargevingsprincipes. Na verloop van tijd zullen klanten van Bank B geld overschrijven naar uw bank - u krijgt dus een aantal vorderingen op Bank B. En dan, wanneer die vorderingen een mooie omvang hebben, gaat u in één keer het totale bedrag opvragen bij Bank B.

Dat had Bank B niet verwacht. Doordat Bank A in één keer zoveel geld opgevraagd heeft, zijn de reserves van Bank B verzwakt. Klanten van Bank B beginnen plots te vrezen dat ze hun geld misschien niet zullen terugzien. En dàt is het gedroomde moment om een reclamecampagne te starten waarin u Bank A aanprijst als een goede, veilige bank. Nog meer klanten stappen over van Bank B naar Bank A, en u kunt nog meer geld opvragen bij Bank B, tot Bank B uiteindelijk de handdoek in de ring gooit en failliet gaat.

Bank A komt intussen als grote overwinnaar uit de bus, want in de hele crisis had u 'full reserves' aangehouden, en kon u stipt alle opvragingen voldoen.

Met andere woorden, in deze hevige concurrentiestrijd heeft Bank B een tijdelijk voordeel (tijdelijke winsten door 'fractional reserve banking'), maar uiteindelijk kon Bank A haar concurrent op de knieën dwingen door zelf strikt de bewaargevingsprincipes toe te passen. De bank met het 'conservatieve' beleid heeft dus een concurrentieel voordeel op de fractional reserve banken.

Hoe is het zover kunnen komen?

Als 'full reserve banking' als winnaar uit de bus komt in een concurrentiestrijd, waarom hebben we dan vandaag alleen maar 'fractional reserve' banken?

De directeur van Bank A beseft dat hij, in een concurrentiële omgeving, op lange termijn baat heeft bij een conservatief beleid. Maar de directeur van Bank A weet ook dat fractional reserve banking zeer lucratief is. In een ideaal scenario (voor de bankdirecteurs!) zouden Bank A en Bank B kunnen overeenkomen dat ze elkaar niet zullen lastigvallen, zodat ze beiden ongestoord geld van zichtrekeningen kunnen gebruiken om leningen toe te kennen en interesten op te strijken.

Zulke overeenkomsten zijn niet stabiel. Als Bank A en Bank B zo'n deal zouden sluiten, dan zou het voor Bank A nog altijd interessant zijn om het contract eenzijdig op te zeggen, zeker wanneer Bank B er heilig van overtuigd is dat A woord zal houden: dan zou B namelijk met nog veel kleinere reserves werken en dus nog veel kwetsbaarder zijn voor een aanval van A.

Om zulke overeenkomsten in stand te houden, is er een georganiseerd kartel nodig van alle banken, en een neutrale, derde partij die erop toeziet dat iedereen de afspraken naleeft. En dat is precies de bestaansreden van een centrale bank. Een centrale bank garandeert aan alle kartelleden dat ze ongestoord aan 'fractional reserve banking' mogen doen, door op te treden als 'lender of last resort'. Veronderstel dus dat A toch een aanval inzet op B, dan kan B gewoon het nodige geld lenen bij de centrale bank om de aanval af te slaan. En waar haalt de centrale bank dat geld vandaan? Simpel: ze creëert het gewoon uit het niets...

Wanneer er een centrale bank is, heeft Bank A dus geen enkel competitief voordeel door met 'full reserves' werken, integendeel. Alle andere banken werken ongestoord met 'fractional reserves', en verdienen zo veel geld. Bank A wordt met andere woorden door het financiële systeem aangemoedigd om de principes van bewaargeving achterwege te laten en ook aan 'fractional reserve banking' te doen.

Op die manier ontstaat er dus een systeem dat periodiek, en systematisch, in serieuze crisissen verzeild raakt. Het financiële systeem is georganiseerd als een kaartenhuisje, dat bij de minste windstoot omver kan vallen en dan telkens gered moet worden door de centrale bank. En net doordat er een centrale bank is, worden de banken aangemoedigd om risico's te nemen en zich vooral geen zorgen te maken over die 'verouderde' principes van bewaargeving.

De recente crisis is dus geen uitzonderlijk verschijnsel. Sinds het verschijnen van centrale banken (in Zweden al in 1668; in Engeland in 1694; elders hoofdzakelijk in de negentiende en begin twintigste eeuw) zijn er al ontelbare financiële crisissen gepasseerd, die telkens 'opgelost' werden door geld bij te drukken (of het hedendaagse elektronische equivalent).

Het is duidelijk dat de financiële crisissen slechts een symptoom zijn van de slecht gedefinieerde contracten waarop het hele banksysteem gebaseerd is. En de banken hebben er alle belang bij om de situatie zo te houden: voor hen is het een lucratief systeem met een centrale bank als parachute.

Structurele oplossingen (1): full reserve banking

Wat is de oplossing voor het parkeer-probleem? De oplossing was om de principes van 'lening' en 'bewaargeving' duidelijk te onderscheiden en strikt toe te passen. Een parkeergarage moet dus de auto's die haar zijn toevertrouwd, bewaren. En het verhuurbedrijf moet haar huurauto's ofwel kopen, ofwel zelf huren onder duidelijke voorwaarden - een duidelijke, vastgelegde termijn - zodat er geen problemen kunnen ontstaan.

In het geval van banken is de oplossing gelijkaardig. Een zichtrekening is een vorm van bewaargeving. Laat ons dan ook consequent die principes toepassen: de bank zal het geld altijd beschikbaar houden (en zal dus volledige reserves aanhouden), en zal de consument hiervoor een vergoeding aanrekenen. Aangezien ons geld volledig beschikbaar is, ten allen tijde, is er geen enkele reden waarom we interest zouden mogen krijgen op dat geld.

(Tussen haakjes kunnen we hier opmerken dat de meeste 'spaarrekeningen' ook zichtrekeningen zijn. De meeste spaarrekeningen zijn namelijk ook onmiddellijk opvraagbaar, zonder kosten. Het zijn dus veredelde zichtrekeningen en ze moeten dus ook als bewaargeving beschouwd worden.)

Wanneer mensen willen sparen, en wanneer banken geld willen om leningen toe te kennen, moeten ze gebruik maken van andere contracten, die onder de noemer 'lening' vallen. Geld dat we niet onmiddellijk nodig hebben, zullen we voor een vaste termijn afstaan aan de bank, bijvoorbeeld door een termijnrekening op één maand, een kasbon op twee jaar of obligaties op tien jaar.

Aangezien de bank dat geld geleend heeft op een vastgelegde termijn, hoeft ze hiervoor geen enkele reserve aan te houden: de bank mag over het geld beschikken tot op de vervaldag van de termijnrekening.

Als deze principes in acht genomen worden, is het probleem van de instabiliteit meteen opgelost. Bij een 'bank run' kunnen mensen dan enkel het geld opvragen waar ze contractueel onmiddellijk recht op hebben: het geld van de zichtrekeningen. Dit geld moeten banken volledig in de reserves houden, zodat ze steeds aan zulke opvragingen kunnen voldoen.

De bank kan hiermee dus niet in de problemen komen, want alle leningen die ze heeft toegekend, heeft ze gefinancierd met spaargeld dat door klanten voor een vaste termijn aan de bank werd afgestaan.

"Full reserve banking" stelt dus geen problemen voor de klanten: zij kunnen kiezen tussen onmiddellijke beschikbaarheid van hun geld, op een betrouwbare zichtrekening, mits betaling van een vergoeding; of het afstaan van hun geld aan de bank, voor een vaste termijn, in ruil voor een interestvergoeding.

Ook voor bedrijven stelt er zich geen probleem. Het geld dat consumenten niet willen gebruiken om consumptiegoederen te kopen, belandt op spaarrekeningen en komt zo als leningen terecht bij de ondernemers.

Het voorstel betekent evenmin het einde voor de financiële sector. Het bijhouden van zichtrekeningen levert immers een vergoeding op van de klanten. De andere activiteit, het omzetten van spaargeld in leningen, is winstgevend door het interestverschil: de interest op spaarproducten ligt lager dan de interest op leningen bij de bank, en dat verschil is de winst voor de bank. Er stelt zich dus geen probleem voor de banksector, die echter gespaard blijft van terugkerende financiële crisissen.

Structurele oplossingen (2): meer concurrentie

We hebben gezien dat het principe van 'fractional reserve banking' enkel op grote schaal toegepast kan worden wanneer er een centrale bank is. Alleen op die manier ontsnappen banken aan de druk van de concurrentie: mocht er geen centrale bank zijn, zouden 'fractional reserve'-banken namelijk ontzettend gevoelig zijn voor aanvallen van conservatievere banken.

Wanneer we echter 'full reserve banking' invoeren als standaard, dan verdwijnt de noodzaak aan een centrale bank. We kunnen met andere woorden 'full reserve banking' combineren met de afschaffing van de centrale bank, en het afschaffen van heel wat regelgeving in de banksector. Op die manier kan er meer concurrentie spelen. De grotere concurrentiedruk is een extra garantie dat banken niet aan 'fractional reserve banking' zullen doen.

De centrale bank moet gezien worden als een toezichthouder op een kartel van banken. Door die toezichthouder weg te nemen, valt het kartel uit elkaar. Wanneer banken geen toezichthouder meer hebben, geen 'lender of last resort' die geld kan bijdrukken wanneer banken in moeilijkheden raken, dan zal de concurrentiestrijd garanderen dat banken voorzichtig omspringen met het geld van hun klanten. Zoals we al gezien hebben, kan een conservatieve bank namelijk een roekeloze bank op de knieën dwingen, tenminste als er geen centrale bank is die de roekeloze bank kan redden met vers geld.

De oplossing voor de huidige crisis is dan ook niet te vinden in meer regulering en een grotere rol voor de overheid. De problemen zijn niet veroorzaakt door 'laissez-faire', door 'de vrije markt', door 'het liberalisme'. Het is moeilijk om over een vrije markt te spreken in de banksector wanneer we weten dat die sector in sommige landen al drie eeuwen (!) gedomineerd wordt door een centrale bank die het bankkartel in stand houdt.2 Het principe van een centrale bank valt niet te verzoenen met het principe van vrije concurrentie.

Goede afspraken maken goede vrienden. Het invoeren van een duidelijk onderscheid tussen de twee soorten contracten - bewaargeving en lening - en het afschaffen van de centrale bank is op lange termijn de enige mogelijke manier om het financieel systeem te behoeden van de ondergang.3



1) Er is nog een bijkomend, niet onbelangrijk verschil. Wie een auto leent bij een garage (al dan niet met medeweten van de eigenaar) kan die auto niet gebruiken om dingen te kopen - je kan niet met auto's betalen. Wie geld leent, heeft natuurlijk precies de bedoeling dat geld te gebruiken om er goederen of diensten mee te kopen. We hebben gezien dat 'fractional reserve parking' de indruk wekt dat er meer auto's beschikbaar zijn dan er werkelijk bestaan. Iets gelijkaardigs doet zich voor bij 'fractional reserve banking'. Wanneer een bank 100 miljard euro zichtrekeningen ontvangt, en daarvan 90 miljard gebruikt om leningen toe te kennen, dan circuleert er nu plots 190 miljard euro in de economie - dus 90 miljard extra. De klanten van de bank gebruiken hun zichtrekening als hun 'virtuele portefeuille', en betalen via overschrijvingen of bancontact - zij gebruiken dus hun 100 miljard euro. Tezelfdertijd echter is er 90 miljard euro aan leningen toegekend door de bank, en ook dat geld wordt uitgegeven. De geldhoeveelheid is dus groter geworden; maar er zijn nog steeds evenveel goederen en diensten in de economie. Dit betekent dat de koopkracht van één euro kleiner geworden is door 'fractional reserve banking'. Iedereen wordt hierdoor getroffen, zelfs wie geen geld op een zichtrekening staan heeft.

Er kan nu beargumenteerd worden dat deze daling van de koopkracht ervoor zorgt dat de 'full reserve'-banken toch weggeconcurreerd zullen worden door 'fractional reserve'-banken, aangezien 'full reserve'-banken geen interest geven (en zelfs kosten aanrekenen) op een zichtrekening. In combinatie met de daling van de koopkracht maakt dit een 'fractional reserve'-zichtrekening, met interest, aantrekkelijker. Wanneer we met dit effect rekening houden, is het dus niet langer zeker dat 'full reserve banking' een concurrentieel voordeel heeft. (Prof. dr. Frank Van Dun wees mij op deze mogelijkheid). Niettemin blijft de mogelijkheid bestaan dat een 'bank run' een bank met lage reserves ten gronde richt; en in zo'n panieksituatie zou een bank met hoge reserves als winnaar uit de bus komen.

2) Zoals al vermeld, was Zweden het eerste land ter wereld met een nationale bank, in 1668. Engeland volgde in 1694. De V.S. had een centrale bank van 1791 tot 1811 (de First Bank of the United States) en van 1816 tot 1836 (de Second Bank of the United States). De huidige centrale bank, de Federal Reserve, is dus reeds de derde centrale bank in de V.S., en werd opgericht in 1913. De Nederlandsche Bank werd opgericht in 1814. In België werd de Nationale Bank opgericht in 1850, in Frankrijk in 1800. Overheidsinmenging in het bankwezen is dus niet nieuw, zelfs niet in de Verenigde Staten.

3) Over de problemen van fractional reserve banking, centrale banken, vrije concurrentie in het bankwezen... bestaat er een uitvoerige literatuur. Er bestaat een denkrichting die pleit voor 'fractional-reserve free banking'. De argumenten uit deze stroming hebben we in dit inleidend artikel niet kunnen behandelen.
- Een pleidooi voor 'full reserve free banking' en een uitvoerige behandeling van de problemen van het huidige banksysteem is te vinden in Jesus Huerta de Soto, "Money, Bank Credit and Economic Cycles", uitgegeven bij het Ludwig von Mises Institute en integraal op het internet te vinden. De Soto's werk is binnenkort in een Nederlandse vertaling beschikbaar bij het Murray Rothbard Instituut.
- Een zeer goede inleiding op de problemen van geld en bankwezen is Murray Rothbards "Wat heeft de overheid met ons geld gedaan?"(te verkrijgen bij het Murray Rothbard Instituut).
- De discussie tussen fractional-reserve free banking en full-reserve free banking leverde een aanzienlijke literatuur op. Vermeldenswaardig zijn de volgende artikels: Selgin en White, "In Defence of Fiduciary Media", dat 'fractional reserve banking' verdedigt, en het antwoord van Hoppe, Block en Hülsmann: "Against Fiduciary Media". Geïnteresseerde lezers kunnen in die artikels verdere referenties vinden.

De auteur is masterstudent economie en gaf in het najaar van 2008 een reeks van 8 seminaries over economie. De videobeelden daarvan zijn hier terug te vinden.