Productie versus Consumptie

Er zijn twee fundamentele visies op de economie. De ene visie overheerste het economische denken in de negentiende eeuw, door de invloed van de Britse klassieke economen, zoals Adam Smith en David Ricardo. De andere visie was de dominante economische denktrant van de zeventiende eeuw, onder de invloed van het Mercantilisme. Deze laatste visie is in de twintigste eeuw terug overheersend geworden, grotendeels door toedoen van Lord Keynes.
Het onderscheid tussen deze twee visies is het volgende: in de negentiende eeuw beschouwden de economen het verhogen van de productie als het fundamentele economische probleem. Impliciet of expliciet waren ze van mening dat zowel economische activiteit als economische theorie gebaseerd waren op het feit dat het leven en het welzijn van de mensheid afhankelijk is van het produceren van welvaart. De aard van de mens zorgt ervoor dat hij welvaart nodig heeft; zijn meest elementaire overtuigingen zorgen ervoor dat hij welvaart verlangt. Het probleem, aldus deze visie, is het produceren van welvaart. De economische theorie kon dus uitgaan van het verlangen om te consumeren, en kon zich richten op de manieren waarop de productie verhoogd zou kunnen worden.

In de twintigste eeuw zijn economen teruggekeerd naar de tegengestelde visie. In plaats van als probleem te beschouwen hoe de productie voortdurend uitgebreid kan worden, rekening houdend met het grenzeloze verlangen naar welvaart dat voortvloeit uit de grenzeloze mogelijkheden tot verbetering van de bevrediging van behoeftes, geloven deze economen onterecht dat het aanmoedigen van het verlangen om te consumeren (zodat consumptie groot genoeg is in verhouding tot productie) het grote probleem is. De economische theorie in de twintigste eeuw beschouwt productie als iets vanzelfsprekends, en denkt na over manieren om de consumptie te verhogen. De economische theorie doet alsof het probleem van de economie niet het creëren van welvaart, maar het creëren van consumptie is.

Deze twee diametraal tegengestelde en onderling uitsluitende uitgangspunten in verband met het fundamentele probleem van het economische leven spelen dezelfde rol in de economische theorie als tegenstrijdige metafysische systemen in de filosofie. Op alle punten geven ze aanleiding tot ofwel tegengestelde conclusies, ofwel tegengestelde redenen voor dezelfde conclusie. Deze verschillende uitgangspunten determineren de economische theorie zo grondig dat ze aanleiding geven tot twee volledig verschillende systemen van economisch denken.

Twee visies op werkgelegenheid

Als men het negentiende-eeuwse 'productionistische' uitgangspunt hanteert, beseft men om te beginnen dat er niet zoiets bestaat als een probleem van "jobcreatie". Het is problematisch om betaalde banen te scheppen, maar het is geen probleem om jobs in het algemeen te creëren. Op elk ogenblik, aldus de productionist, is er evenveel werk te doen – en dus evenveel potentiële betrekkingen in te vullen – als er onbevredigde menselijke verlangens zijn die zouden kunnen bevredigd worden door een grotere welvaartscreatie. En aangezien deze verlangens grenzeloos zijn, is de hoeveelheid werk die verricht moet worden – het aantal mogelijke banen – ook grenzeloos. Het gebruik van meer en betere machines, aldus de productionist, zorgt dus niet voor werkloosheid. Het zorgt er enkel voor dat mensen, voor zover ze niet liever van hun vrije tijd genieten, meer kunnen produceren en dus vollediger en beter in hun behoeftes kunnen voorzien. Evenmin zorgen langere werktijden, of het tewerkstellen van vrouwen, kinderen, buitenlanders of mensen van raciale of religieuze minderheden, ervoor dat iemand zijn job verliest: ze zorgen er simpelweg voor dat de productie uitgebreid kan worden.

Als men echter vertrekt van het twintigste-eeuwse "consumptionistische" uitgangspunt, neemt men een ander standpunt in over machines en het tewerkstellen van meer mensen. Men beschouwt dan elke uitbreiding van de productie als een bedreiging voor een deel van wat al geproduceerd wordt. Men beeldt zich in dat de productie beperkt wordt door het verlangen om te consumeren. Men vreest dat dit verlangen ontoereikend kan zijn, en dat een uitbreiding van de productie in één deel van de economie dus moet leiden tot een vermindering van de productie in een ander deel van de economie. Men vreest dus dat het werk dat door machines gedaan wordt, minder werk overlaat voor mensen; dat het werk dat door vrouwen verricht wordt, werk afneemt van mannen; dat het werk dat kinderen doen, ervoor zorgt dat volwassenen minder werk hebben; dat het werk dat Joden doen ervoor zorgt dat christenen minder werk hebben; dat het werk dat zwarten uitvoeren werk afneemt van blanken; en dat het extra werk dat sommige mensen verzetten ervoor zorgt dat er te weinig werk overblijft voor anderen.

Noch de productionist noch de consumptionist wensen lange arbeidsuren of kinderarbeid. Wat dit betreft, bereiken ze beiden dezelfde conclusie. Maar hun redenen zijn volledig anders. De consumptionist is een tegenstander omdat hij denkt dat het probleem is wat men dan met die producten zal doen – tenzij sommige andere zaken niet langer geproduceerd worden en andere werknemers hun baan verliezen. De productionist houdt niet van lange arbeidsuren of kinderarbeid omdat hij geen waarde hecht aan vermoeidheid of uitputting op jonge leeftijd. Het probleem is volgens de productionist niet wat we moeten aanvangen met de bijkomende goederen die geproduceerd worden door langere arbeidsuren of kinderarbeid – alleen de intense behoefte aan deze bijkomende goederen zorgt ervoor dat deze arbeid nodig is. Het probleem is hoe we de productiviteit van arbeid zodanig kunnen verhogen dat mensen zich vrije tijd kunnen veroorloven en het zich kunnen permitteren om hun kinderen niet te laten werken.

Welvaart door schaarste?

Omdat de consumptionist denkt dat productie ingeperkt wordt door het verlangen om te consumeren (en dus niet dat consumptie ingeperkt wordt door de mogelijkheid om te produceren), hecht de consumptionist geen waarde aan welvaart maar aan de afwezigheid van welvaart. Na de Tweede Wereldoorlog dacht de consumptionist bijvoorbeeld dat de relatieve afwezigheid van huizen, auto's, televisies en koelkasten in Europa een voordeel voor de Europese economie betekende, omdat er een grote hoeveelheid ongebruikt consumptieverlangen was, dat zogezegd zorgde voor een sterke vraag naar consumptie. Volgens dezelfde redenering dacht de consumptionist dat de relatieve overvloed van deze goederen in de V.S. een nadeel voor de Amerikaanse economie betekende omdat de hoeveelheid consumptieverlangen nu kleiner was, wat zogezegd de vraag naar consumptie verzwakte. Welvaart hangt dus af van de afwezigheid van rijkdom, en armoede volgt als er een overvloed aan rijkdom is – zo besluit de consumptionist – omdat dat ontzettend waardevolle ding, consumptieverlangen, zeldzamer dan diamanten, geproduceerd wordt door de afwezigheid van welvaart en vernietigd wordt door de aanwezigheid van rijkdom. Het is dit principe dat ertoe leidt dat de consumptionist oorlog en vernietiging prijst als bronnen van welvaart, en dat hij de armoede in depressies wijt aan "overproductie".

Maar de consumptionist gelooft niet dat welvaartsvernietiging de enige manier is om welvaart te bereiken. Ook al gelooft hij dat het moeilijk te verwezenlijken valt, hij hoopt dat de hoeveelheid van dat zeldzame goed, consumptieverlangen, niettemin verhoogd kan worden door positieve maatregelen. Eén van die maatregelen is een hoog geboortecijfer. Door meer mensen op de wereld te zetten, brengt men meer consumptieverlangen in de wereld. Het bestaan van een groter aantal mensen, zo zegt de consumptionist aan ondernemers, zal het mogelijk maken voor ondernemingen om een afzetmarkt te vinden voor al die goederen die anders overbodig zijn. Bedrijven zullen floreren omdat hun aanbod aan goederen beantwoord zal worden door een adequate hoeveelheid verlangen naar die goederen. In afwezigheid van zo'n hoog geboortecijfer (of naast een hoog geboortecijfer) gelooft de consumptionist ook dat reclame de anders volledig verzadigde consumenten nieuwe verlangens kan suggereren. En technologische vooruitgang kan nieuwe aanwendingen voorzien voor een steeds groter wordende hoeveelheid kapitaalgoederen, die anders geen "investeringsmogelijkheden" zou vinden. Mocht het voorgaande falen, dan kunnen we nog steeds rekenen op de overheid om ons van grenzeloze consumptie te voorzien, zelfs als er geen verlangen is. Of misschien – zo hoopt de consumptionist – heeft een land geluk, en wordt ze bedreigd door buitenlandse vijanden, zodat dit land een grote defensie in stand moet houden. In beide gevallen gelooft de consumptionist dat de overheid in staat zal zijn om welvaart te promoten door haar consumptie te ruilen voor de goederen die mensen produceren.

Productie beperkt consumptie

De productionist bekijkt de zaken natuurlijk helemaal anders. Hij beargumenteert dat kinderen krijgen en opvoeden altijd geld kost aan de ouders. Bij het opvoeden van kinderen moeten de ouders geld aan de kinderen spenderen dat ze anders aan zichzelf zouden gespendeerd hebben. De ouders kunnen natuurlijk (en hopelijk!) van mening zijn dat het geld beter gespendeerd als ze het gebruiken om kinderen op te voeden; maar het blijft een uitgave. En als ze genoeg kinderen hebben, kunnen ze zelfs in armoede verzeilen. Dit is een feit, aldus de productionist, dat iedereen kan vaststellen in een grote familie waar het gezinsinkomen niet groot genoeg is. De aanwezigheid van kinderen zorgt er niet voor dat ouders meer uitgeven dan ze anders zouden gedaan hebben, het zorgt er enkel voor dat ze het geld op een andere manier uitgeven. Ze kopen babyvoedsel, speelgoed en fietsen in plaats van op restaurant te gaan, een betere wagen te kopen of op duurdere vakanties te gaan. Er wordt geen enkele stimulus gegeven aan productie. De productie wordt simpelweg gericht op andere goederen, de productie past zich aan aan de andere structuur van de vraag.

De enige manier waarop de productie zou kunnen toenemen is wanneer de ouders een extra baan moeten zoeken of langere uren werken om hun kinderen te kunnen opvoeden en hun levensstandaard op een hoog niveau te houden. En wanneer de kinderen groot worden, zullen ze alleen zorgen voor een grotere afzetmarkt voor huizen en wagens enzovoort in zoverre ze erin slagen om het equivalent van deze goederen te produceren en daarmee het geld te verdienen waarmee ze die zaken kunnen kopen. Het zal enkel door toedoen van hun productie zijn, en niet door hun consumptieverlangen, dat ze een bijkomende afzetmarkt kunnen vormen.

Reclame en de consument

De productionist is van mening dat reclame geen verlangen tot consumptie creëert waar er anders geen verlangen naar meer goederen zou geweest zijn. Het is niet zo dat mensen in afwezigheid van reclame geen idee zouden hebben over hoe ze hun geld moeten uitgeven. Reclame is niet nodig, en zou ook niet voldoende zijn, om mensen groenten te laten eten. Wat reclame doet, is mensen ertoe aanzetten om op een andere en betere manier te consumeren dan ze anders zouden gedaan hebben. Reclame is een middel om mee te concurreren, en voor elk product waarvan de verkoop stijgt door reclame, is er een ander, concurrerend goed waarvan de verkoop daardoor daalt.

De houding van de consumptionist ten opzichte van reclame verduidelijkt enkele andere aspecten en implicaties van het consumptionistische uitgangspunt. Zijn mening over reclame is, net zoals zijn mening over oorlog en vernietiging, dubbelzinnig, en noodzakelijkerwijze dubbelzinnig. Enerzijds keurt hij het goed, omdat reclame door het creëren van consumptieverlangen het nodige werk schept dat nodig is om die verlangens te bevredigen. Maar langs de andere kant zorgt deze overtuiging, dat reclame verlangens creëert die anders helemaal niet zouden bestaan, er ook voor dat hij reclame afkeurt. Want als het zo was dat mensen, zonder reclame, perfect gelukkig zouden zijn met zeer weinig, dan moeten de verlangens die door reclame gecreëerd worden wel kunstmatig en in feite overbodig en onnatuurlijk lijken.

En dit is precies de manier waarop de consumptionist naar deze verlangens kijkt. In zijn visie vormen alle verlangens die mensen hebben naar goederen die niet strikt noodzakelijk zijn om puur fysiek te overleven en te bestaan als een plant, een onnatuurlijke voorkeur voor "luxegoederen". De consumptionist vindt deze verlangens inherent onbelangrijk. Hun enige rechtvaardiging is dat ze voor werk zorgen. De opvatting die de consumptionist heeft over het grootste deel van de economische activiteit is dan ook dat het uit betekenisloze beweging bestaat, met bedrog en leugens die nodig zijn om mensen aan te zetten goederen te willen die ze eigenlijk niet nodig hebben, om op die manier ervoor te zorgen dat ze hun leven kunnen vullen met het produceren van diezelfde goederen.

Hoewel dit op het eerste zicht paradoxaal kan lijken, is het eigenlijk de productionist die echt belang hecht aan de verlangens van consumenten. In zijn visie is het verlangen naar "luxegoederen" belangrijk; het is noodzakelijk en natuurlijk, want het is het verlangen om inherente behoeftes (inclusief de behoefte aan schoonheid) op een steeds betere manier te bevredigen. Volgens de productionist zorgt het belang van de bevrediging van deze behoefte naar "luxegoederen" ervoor dat het belangrijk is dat er gewerkt wordt om deze goederen te produceren – en niet omgekeerd.

Technologie en kapitaalgoederen

De waarde van technologische vooruitgang, aldus de productionist, is niet dat het zorgt voor "investeringsmogelijkheden" voor een steeds groeiende hoeveelheid kapitaalgoederen. Als het concept van kapitaalgoederen correct begrepen wordt, als een term om alle goederen te beschrijven die de koper gebruikt om zaken te produceren die weer verkocht zullen worden, dan is er volgens de productionist niet zoiets als een gebrek aan "investeringsmogelijkheden" voor kapitaalgoederen. Zolang er meer of betere consumptiegoederen gewenst worden, is er altijd nood aan een grotere hoeveelheid kapitaalgoederen.

Het vervaardigen van tien miljoen wagens van een bepaalde kwantiteit vereist bijvoorbeeld twee keer zoveel kapitaalgoederen (twee keer zoveel staal, glas, banden, verf, motoren, machines) als het vervaardigen van vijf miljoen wagens. Om de kwaliteit van de wagens te verbeteren, zijn er meer kapitaalgoederen nodig voor het produceren van dezelfde hoeveelheid wagens. Voor het produceren van een bepaald aantal Chevrolets zijn er bijvoorbeeld meer kapitaalgoederen nodig dan voor het produceren van evenveel Volkswagens; om evenveel Cadillacs te produceren zijn er nog meer kapitaalgoederen nodig, en om evenveel Rolls Royces te vervaardigen moet de hoeveelheid kapitaalgoederen nog groter zijn.

Hetzelfde principe gaat ook op voor huizen van verschillende grootte en kwaliteit. Een bepaalde hoeveelheid huizen met acht kamers veronderstelt het gebruik van een grotere hoeveelheid kapitaalgoederen dan hetzelfde aantal huizen met zeven kamers. Het bouwen van een aantal bakstenen huizen vereist meer kapitaalgoederen dan het bouwen van evenveel houten huizen van dezelfde grootte; de bakstenen of andere, duurdere materialen vormen een grotere hoeveelheid kapitaalgoederen omdat er meer arbeid nodig is om het te produceren. Het principe geldt ook voor voedsel en kleding, voor meubels en huishoudtoestellen, en alle andere goederen. Zolang er meer consumptiegoederen gewenst worden, zolang niet elk consumptiegoed dat geproduceerd wordt van de best mogelijke kwaliteit is, bestaat de noodzaak aan een grotere hoeveelheid kapitaalgoederen.

Technologische vooruitgang

Het is niet zo dat zonder technologische vooruitgang de hoeveelheid kapitaalgoederen zou blijven toenemen, maar dat er geen "investeringsmogelijkheden" zouden zijn voor die goederen. We moeten niet bang zijn dat een gebrek aan technologische vooruitgang ervoor zal zorgen dat elke auto die we maken een Rolls Royce zal zijn, dat elk huis een paleis is, dat alle kleren van de beste kwaliteit zijn en dat al het voedsel culinaire hoogstandjes zijn, en dat we dan plots niet meer zullen weten wat gedaan met die steeds groeiende hoeveelheid kapitaalgoederen. Integendeel: wat we te vrezen hebben van een gebrek aan technologische vooruitgang is volgens de productionist dat we geen toename van de hoeveelheid kapitaalgoederen zullen hebben, dat we niet in staat zullen zijn om gebruik te maken van een aanzienlijk deel van het quasi oneindig aantal investeringsmogelijkheden die nu al bestaan, binnen het kader van de huidige technologie.

Het belang van technologische vooruitgang is volgens de productionist dat het ons toelaat om een grotere hoeveelheid kapitaalgoederen op te bouwen; niet dat het ons mogelijkheden geeft om een grotere hoeveelheid kapitaalgoederen te verbruiken. De technologische ontwikkelingen die het aanleggen van kanalen en treinsporen en het ontwikkelen van de staalindustrie mogelijk maakten in de negentiende eeuw waren niet waardevol omdat ze kapitaalgoederen absorbeerden, zoals de consumptionist denkt, maar omdat ze het mogelijk maakten om meer kapitaalgoederen te accumuleren. De consumptionist beseft niet dat de hoeveelheid kapitaalgoederen enkel kan toenemen door de productie ervan te verhogen, en dat dit precies is wat technologische vooruitgang mogelijk maakt. Mochten de technologische ontwikkelingen die de treinsporen van 1830 mogelijk maakten nooit plaatsgevonden hebben, dan zouden de nodige kapitaalgoederen niet beschikbaar geweest zijn voor het uitbreiden en verbeteren van treinverkeer in 1840 – of, als die kapitaalgoederen wél beschikbaar waren, zou het ten koste gegaan zijn van de vooruitgang in een andere sector van de industrie. Mochten er geen technologische ontwikkelingen geweest zijn in het treinverkeer in 1840, dan zou de hoeveelheid kapitaalgoederen in 1850 kleiner geweest zijn, zowel voor treinen als voor andere industrieën. Enzoverder voor alle andere decennia, mocht de technologische vooruitgang op vlak van treinverkeer of andere industrieën niet plaatsgevonden hebben.

Om voortdurende kapitaalsaccumulatie mogelijk te maken is technologische vooruitgang onontbeerlijk. Alleen technologische vooruitgang kan zorgen voor aanhoudende toenames in de productie, en alleen die toenames in de productie kunnen zorgen voor voortdurende kapitaalsaccumulatie. De consumptionist beseft niet dat datgene wat hij als oplossing voor zijn denkbeeldig probleem ziet, eigenlijk de oorsprong is van wat hij als probleem beschouwt. Hij beseft evenmin dat, als hij technologische vooruitgang naar voor schuift als oplossing voor de overvloed aan kapitaalgoederen, hij voor zichzelf een nieuw probleem creëert: wat moeten we doen met de extra consumptiegoederen die, zelfs volgens de consumptionist, het gevolg zijn van technologische vooruitgang? De consumptionist wordt geconfronteerd met onder andere het dilemma hoe het mogelijk is dat technologische vooruitgang de gemiddelde winstvoet doet stijgen door "de vraag naar kapitaalgoederen te laten toenemen", terwijl technologische vooruitgang, zoals hij zelf toegeeft, ook zorgt voor een grotere productie van consumptiegoederen, wat volgens hem tot "overproductie" en dus tot lagere winstvoeten moet leiden.

Consumptionisme en parasitisme

Het idee dat men de producent een gunst verleent wanneer men zijn producten consumeert, door hem het werk te geven dat nodig is om die consumptie mogelijk te maken, is absurd volgens de productionist. Alleen door het gebruik van geld lijkt dit idee misschien een beetje plausibel. Mocht die opvatting correct zijn, dan zou iedere slaaf die ooit geleefd heeft, blij moeten geweest zijn met de grillen van zijn meester, omdat ze hem meer werk verschaften. De slaaf zou dankbaar moeten geweest zijn als de meester een groter huis wou, een betere toegangsweg, beter voedsel, meer feesten enzoverder. Het bevredigen van al die behoeftes zou de slaaf namelijk meer werk gegeven hebben.

De overtuiging dat hogere overheidsuitgaven goed zijn voor de economie is volgens de productionist even absurd als de overtuiging dat meer consumptie door de meester goed is voor de slaaf. Het is een overtuiging waarvan de absurditeit alleen maar overtroffen wordt door het onrecht dat erdoor mogelijk gemaakt wordt. Het is deze redenering die parasitaire belangengroepen, die de overheid gebruiken als een plunderende tussenpersoon, de mogelijkheid verschaft om hun slachtoffers wijs te maken dat ze geholpen en bevoordeeld worden door degenen die hun producten afnemen en niets in ruil geven.

Voor de productionist is er maar één economisch voordeel dat men aan een producent kan geven: goederen of diensten aanbieden in ruil voor zijn goederen of diensten. Het is door wat men in ruil aanbiedt aan de producent dat men de producent helpt; niet door wat men van hem consumeert. In de mate dat iemand goederen en diensten van anderen consumeert zonder iets in ruil aan te bieden, leeft deze persoon gewoon op hun kosten.

Het gebruik van geld maakt dit inzicht iets minder vanzelfsprekend, maar daarom niet minder correct. Waar geld gebruikt wordt, ruilen producenten goederen en diensten niet direct, maar indirect. De koper ruilt geld voor de goederen van de verkoper. De verkoper ruilt dit geld dan voor de goederen van andere verkopers, enzoverder. Maar elke koper in deze keten moet ofwel zelf goederen en diensten verkocht hebben voor het bedrag van zijn aankopen, ofwel moet hij zijn geld gehaald hebben bij iemand anders die dit gedaan heeft.

Het feit dat iedereen in een geld-economie zijn voordeel meet door de hoeveelheid geld die hij in ruil kan krijgen voor zijn goederen en diensten wordt door de consumptionist geïnterpreteerd als een bewijs dat het uitgeven van geld een deugd is, en dat welvaart bereikt kan worden door het creëren en uitgeven van nieuw en extra geld – d.i. door inflatie van de geldhoeveelheid.

De productionist antwoordt hierop dat er voor elke consument die dit nieuwe geld uitgeeft en dus goederen en diensten kan kopen zonder zelf goederen en diensten van dezelfde marktwaarde te produceren, er anderen moeten zijn die een equivalent verlies lijden. Hun verlies, aldus de productionist, bestaat ofwel uit een vermindering van hun kapitaal, een daling van hun consumptie, of een vermindering van de beloning die ze krijgen voor de arbeid die ze verrichten – een verlies dat precies even groot is als de goederen en diensten die verworven worden door de kopers die niet produceren.

Het pleidooi van de consumptionist dat we consumptie moeten aanmoedigen van mensen die niet produceren, om ervoor te zorgen dat mensen die wél produceren welvarend worden, is volgens de productionist een pathologische reactie op een economische wereld die volgens de consumptionist geregeerd wordt door pathologie. De consumptionist heeft steeds het beeld voor ogen van een pathologische vrek. Zijn denken wordt gedomineerd door de vrees dat mensen geld oppotten. Hij gelooft dat een deel van de mensheid gedreven wordt door een zinloze passie om te werken zonder beloning, en dat hier tegenover moet staan dat een deel van de mensheid moet consumeren zonder te produceren. Dit is de betekenis van de overtuiging dat sommige mensen enkel willen produceren en verkopen, maar niet kopen en consumeren; en de logische conclusie is dan ook dat er mensen nodig zijn die willen kopen en consumeren, maar niet willen produceren en verkopen. In de wereld van de consumptionist werken de producenten alleen maar om geld te krijgen. De consumptionist staat klaar om hem te voorzien van geld in ruil voor zijn goederen – hij stelt voor om ofwel het geld af te nemen dat de producenten niet zouden uitgeven, en dan dit geld te geven aan mensen die het wél zullen uitgeven, ofwel om meer geld bij te drukken zodat de producenten geld kunnen verzamelen terwijl anderen hun producten kunnen verwerven.

Het oppotten van geld is niet het enige fenomeen dat de consumptionist aangrijpt als motivatie. Wanneer geen enkel fenomeen uit de realiteit voldoende blijkt, is de consumptionist creatief genoeg om volledig ingebeelde oorzaken van economische catastrofes naar voor te schuiven. In alle geval is zijn oplossing om niet-producenten te laten consumeren, ten voordele van degenen die wél geproduceerd hebben. In alle geval is zijn doel om aan te tonen dat parasitisme noodzakelijk en voordelig is; hij wil aantonen dat parasitisme een bron van algemene welvaart inhoudt.

De rationaliteit van het economische leven

Als men rekening houdt met de overweldigende absurditeit en de tegenstrijdigheden van het consumptionisme, en de grote perversie van waarden die het teweeg brengt, kan men enkel besluiten dat de steun voor het consumptionisme afkomstig is van de belangen die het duidelijk dient: het parasitisme. Dit ontslaat de econoom natuurlijk niet van de taak om de fouten aan te duiden in de argumentatie van de consumptionisten. Maar het zorgt er wel voor dat we consumptionisten geen economen kunnen noemen. Geen wetenschapper, in gelijk welk gebied, kan het standpunt aanvaarden dat de realiteit irrationeel is, of dat irrationele handelingen nodig zijn om ermee om te gaan.

De economen van vandaag die openlijk en hardnekkig uitroepen dat de economische wereld "niet-Euclidisch" is, doen dit met plezier. Dat is de manier waarop ze de economische wereld graag zouden zien. Mochten ze simpelweg geloven dat het economisch leven irrationeel lijkt, en mochten ze niet tezelfdertijd wensen dat het zo was, dan zouden ze dit nooit uitroepen. In plaats van het consumptionisme te ondersteunen na een zeer oppervlakkig onderzoek van hun studie-object, zouden ze niet rusten vooraleer ze de denkfouten hadden ontdekt die hen op het eerste zicht de indruk gaven dat de economische werkelijkheid irrationeel leek. Hoe groter die eerste indruk was, hoe groter het besef van hun eigen onwetendheid zou zijn, en hoe harder ze hun best zouden doen om die onwetendheid te overwinnen en die denkfouten bloot te leggen. Het is deze eigenschap die een echte econoom onderscheidt van een Lord Keynes.

==========

George Reisman is professor emeritus en doceerde economie aan Pepperdine University. Hij is een leerling van Ludwig von Mises en Ayn Rand. Professor Reisman's website is www.capitalism.net en zijn blog is www.georgereisman.com/blog/

Dit essay verscheen oorspronkelijk in The Freeman van oktober 1964. Het is in het Engels beschikbaar als een pamflet bij de Jefferson School of Philosophy, Economics and Psychology. Een veel uitgebreidere behandeling van dit onderwerp kan gevonden worden in het omvangrijke werk van George Reisman, Capitalism. A Treatise on Economics" (voornamelijk in hoofdstuk 13 over "Productionism, Say's Law, and Unemployment.")

Copyright © 1964, 1991 by George Reisman. All other rights reserved.