Naar aanleiding van de heruitgave van Het Fundamenteel Rechtsbeginsel

Frank van Dun

Antwerpen, 12 april 2008

Mijn eerste woord is er uiteraard een van oprechte dank en diepe waardering voor het enthousiasme en de inspanningen van Michaël Bauwens en de andere leden van Phaedrus die onlangs het Murray Rothbard Instituut hebben opgericht. Het was hun idee mijn proefschrift, Het Fundamenteel Rechtsbeginsel, na vijfentwintig jaar van onder het stof te halen en het opnieuw uit te brengen. Zij hebben met heel beperkte middelen, zonder subsidies, dus helemaal in de geest van Murray Rothbard, prachtig werk geleverd – niet alleen met het heruitbrengen van het boek en de organisatie van dit symposium maar ook met de andere initiatieven, boekuitgaven en lessenreeksen, die zij al op hun palmares hebben staan. Ik wens hun veel succes bij het vervullen van de gewichtige opvoedkundige taak die zij op zich genomen hebben. Het is inderdaad broodnodig de ideeën van persoonlijke vrijheid en recht opnieuw onder de aandacht brengen en weerstand te bieden aan de nog altijd voortwoekerende “managerial revolution” in politiek en economie die mensen reduceert tot willekeurig manipuleerbare, zeg maar flexibele, maatschappelijke “human resources” enerzijds en zorg- en begeleidingbehoevende sukkelaars anderzijds.

Ik hoop dat Het Fundamenteel Rechtsbeginsel in zijn tweede leven een effectievere bijdrage aan die onderneming kan leveren dan in zijn eerste, al ben ik er meer dan wie ook van overtuigd dat het boek eigenlijk dient herschreven te worden, niet alleen maar heruitgegeven. En dan moet ik meteen toegeven dat ik wel al dikwijls gespeeld heb met de gedachte aan een grondig herziene uitgave, die uiteraard ook een verbetering en versterking van de argumentatie moet zijn, maar tot nu toe nooit de gepaste combinatie van gelegenheid en energie had om daar inderdaad werk van te maken. Dat zou dan in elk geval in menig opzicht een ander boek worden want in de in de voorbije vijfentwintig jaar hebben noch de wereld noch mijn bespiegelingen over recht en vrijheid en onrecht en politiek stilgelegen. Vandaag gaat het echter om Het Fundamenteel Rechtsbeginsel zoals het er ligt, het boek dat Michaël en de zijnen de moeite van een zware inspanning waard vonden.

Wat ik hier en nu wil doen is, ten eerste, een beeld schetsen van enkele van de aspecten van de situatie op rechtstheoretisch en rechtsfilosofisch vlak in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw waarmee ik geconfronteerd werd toen ik de poging ondernam mijn antwoord op de vraag “Wat is recht?” te formuleren en te beargumenteren; en, ten tweede, de kern van het boek, het recht (enkelvoud) van mensen (meervoud), te onderscheiden van wat nu de overheersende rechtendoctrine lijkt te zijn: de doctrine van de mensenrechten, zoals uiteengezet in de Universele verklaring van de rechten (meervoud) van de mens (enkelvoud) en in andere door de heersende machten geproclameerde documenten.

Het Fundamenteel Rechtsbeginsel is het resultaat van een gedachtegang die begon toen ik in oktober 1965 in het eerste college Algemene Rechtsleer te horen kreeg dat het recht is “het geheel van regels die de staat uitvaardigt ter handhaving van de maatschappelijke orde.” Toen ik later als wetenschappelijk medewerker in dienst trad van de Rijksuniversiteit Gent en er geacht werd mij te specialiseren in de rechtsfilosofie en de rechtstheorie werd nog duidelijker hoe erg het gesteld was met de kennis van de grondslagen van de zogeheten rechtenstudie. De “grote” namen in de rechtsfilosofie en rechtstheorie waren Hans Kelsen, de man van de “Reine Rechtslehre”, en Herbert Hart, de auteur van een boek met de titel “The Concept of Law”. Volgens hen was het recht een geheel van regels die hun geldigheid ontlenen aan dezelfde grondregel met als bijzonder kenmerk de aanwezigheid in dat stelsel van regels op grond waarvan volgens de regels van het systeem bevoegd verklaarde autoriteiten nieuwe regels kunnen maken, oude regels wijzigen of opheffen en de modaliteiten van de toepassing en de afdwinging van regels kunnen vastleggen. Twee vragen drongen zich op: Ten eerste, wat heeft dat met recht te maken? Ten tweede en niet het minst, hoe helpt zo’n “definitie” betere juristen te maken; hoe helpt zij juristen grondiger en systematischer te redeneren over kwesties van recht en onrecht?

Formeel gezien gaat het inderdaad om niets anders dan een definitie van een systeem van regelgeving in een willekeurige organisatie, of dat nu een politieke of een commerciële, een kerkelijke of een militaire, een misdadige of een gezelligheidsorganisatie is. Als dat recht is dan heeft elke vereniging, ook de kleinste kaartersclub, haar eigen recht – en dan is er geen reden waarom de universitaire rechtenopleiding zich zou beperken tot het regelgevingsysteem van een bepaald soort organisatie, de staat, en nog minder reden waarom zij zich zou beperken tot de regelgeving van een enkele organisatie van die soort, c.q. de Belgische staat. Dat probleempje werd afgedekt met een volstrekt willekeurige toevoeging: een systeem van regelgeving verdient de naam ‘recht’ alleen als het gedragen wordt door effectieve macht, dat wil zeggen effectieve dwangmacht, zoals in “leger en politie”. Dat was dus het punt waar de eeuwenoude, o zo geroemde Europese juridische traditie uitgekomen was: formeel gezien is het recht een systeem van regelgeving, materieel gezien is het een systeem van dwangmacht. Samengevat: recht is dwangmacht die zichzelf aan regels bindt maar tegelijkertijd zichzelf ook de bevoegdheid toekent die regels te wijzigen wanneer haar dat schikt. Dat gold toen als de “wetenschappelijke” definitie van recht.

Op het aanverwante vlak van de politieke filosofie werd de discussie overspoeld door de John Rawls tsunami. Daarin nam “social jusitice” de plaats in van “justice” en was er overigens geen spoor van juridische redeneringen of beginselen terug te vinden. Alleen wie geen weet had van het verschil tussen recht en maatschappelijke regeling kon menen dat de op een resem arbitraire vooronderstellingen opgebouwde “theory of justice” van Rawls enige relevantie had voor de rechtsfilosofie, of dat de twintigste-eeuwse westerse welvaartstaat het paradigma van recht is. Zoals voor de positivisten zo hadden ook voor Rawls mensen alleen rechten als lid van een maatschappelijke orde, als objecten van haar beleid.

Het is niet mijn bedoeling hier alle varianten van het zogeheten positivisme onder de loep te nemen. Per slot van rekening presenteren zij niets anders dan een lege doos: een taaltje waarin men over macht kan spreken zonder haar bij haar naam te noemen en waarin recht niet langer tegenover onrecht staat maar tegenover “niet geregeld binnen het hier en nu geldende regelsysteem.” Voor een opleiding tot functionaris in zo’n organisatie mag dat voldoende zijn, voor een opleiding tot jurist in een instelling die er aanspraak op maakt wetenschap te bedrijven is het gewoon naast de kwestie. Recht is al evenmin macht als onmacht onrecht is. Wat de machtigen, de heersers, de heersende opinie, ‘recht’ noemen is niet daarom alleen al recht, ook al beschikken zij over voldoende macht en invloed om iedereen die kun aanspraken betwist zoniet het zwijgen op te leggen dan toch naar of voorbij de marge van de officiële publieke fora te bannen.

De vraag “Wat is recht?” kan men niet afdoen met een of ander gezagsargument. Het was echter wel de vraag die ik mij stelde, niet omdat ik er een proefschrift aan wilde wijden maar omdat ik een onderwijsopdracht had waarin die vraag niet te vermijden was. Mijn vergissing was dat ik die vraag letterlijk opvatte als de vraag “Wat is recht?” en niet als “Wat worden jullie, studenten, geacht te kennen bij het beëindigen van deze studie?” Dat was een vergissing tenminste in die zin dat er maar weinig studenten waren voor wie de eerste vraag enige relevantie had. Begrijpelijk, de rechtenstudie was geen wetenschappelijke studie maar een opleiding, een initiatie in de geplogenheden van een gevestigd systeem van regelgeving en van de beroepen die daarmee samenhangen. Ik zag het evenwel als mijn taak studenten in te leiden in de studie van het recht, niet ze in te wijden in de riten van een aantal lokale corporaties. Overigens waren er nog genoeg momenten in de rechtenopleiding waarop men moeilijk naast het verschil kon kijken tussen, aan de ene kant, de mechaniekjes en patronen van de staatsorganisatie (inclusief de zogeheten rechterlijke organisatie) en, aan de andere kant, de typisch juridische redeneringen op basis van rechtsbeginselen, zonder essentiële verwijzing naar enige “gestelde regel” of enig “regelsysteem”. Die momenten werden echter voortdurend gehypothekeerd door de verwijzing naar het primaat van de tot “rechtsbronnen” verheven machtswoorden van politici, gerechtelijke autoriteiten en hun academische entourage.

Het is onzinnig een antwoord op de vraag “Wat is recht?” te willen geven als men niet vertrekt van het onderscheid tussen recht en onrecht. Het was heel modieus samen met de positivisten en de relativisten die in de jaren zestig en zeventig het intellectuele klimaat bepaalden te zeggen dat het recht “om het even wat kan zijn”, dat er niets zoiets is als “het recht”, en dat er dus geen enkele reden is om natuurrechtelijke overwegingen in de rechtenstudie te betrekken: de eerste implicatie van de natuurrechtgedachte is inderdaad dat het recht niet om het even wat kan zijn. Maar zelfs toen was het niet zo modieus te beweren dat er dan ook niets zoiets als onrecht kan zijn, dat onrecht alleen maar een kwestie van conventies is. ‘Modieus’ en ‘logisch coherent’ gaan niet vaak samen.

Iedereen kan duidelijke en onbetwiste gevallen van recht en gevallen van onrecht citeren en het is niet moeilijk aan te tonen dat de overeenstemming daaromtrent over alle geografische, culturele en historische grenzen reikt; dat zij niet ongedaan gemaakt wordt door grote verschillen in maatschappelijke organisatie, conventies en gewoonten. Wie zijn gelijke niet als een gelijke andere persoon behandelt maar als een object, een dier of een gewas begaat onrecht; evenzo wie voor zichzelf of een derde aanspraak maakt op dingen, woorden en daden die van een ander zijn; evenzo wie mensen straft of beloont voor daden die niet zij maar een ander hebben gesteld. Zelfs wanneer men zoiets zonder opzet, onbewust, “per ongeluk” of “per vergissing” doet dan ontstaat er toch onrecht dat moet rechtgezet worden. Het onderscheid tussen recht en onrecht is reëel. Het verdient dan ook centraal te staan in de studie van het recht, zelfs als dat leidt tot een veroordeling als onrechtmatig van bestaande (vooral politiek-)maatschappelijke instellingen en praktijken. Men kan immers moeilijk ontkennen dat het gros van de staatsactiviteiten onder een of meer van de genoemde categorieën van onrecht vallen.

Uiteraard springen positivisten onmiddellijk op de voorwaarde dat die categorieën van alleen herkenbaar zijn in relaties “onder gelijken”. Dan verwijzen zij gretig naar actuele of historische voorbeelden van maatschappijen waarin sommigen (die daar en dan aan de macht zijn) anderen (die daar en dan niet aan de macht zijn) niet als gelijken beschouwen en behandelen. Daarmee bewijzen zij echter alleen dat onrecht geïnstitutionaliseerd kan zijn, niet dat het onderscheid tussen recht en onrecht overal en op elk moment louter een kwestie van lokale conventies en machtswoorden is. Positivisten kijken met minachting neer op elke poging een rechtswetenschap te funderen op de studie van de menselijke realiteit: dat is metafysica, of erger nog theologie. Maar wat is wetenschap anders dan kennis van de realiteit? Dat de ene mens of groep de andere niet als gelijke beschouwt bewijst niet dat zij niet zijn of hun gelijken zijn. Evenmin kan men hun ongelijkheid bewijzen door de aandacht te vestigen op de onderlinge verschillen onder mensen. Hoe groot die verschillen ook zijn, zij zijn niet van aard de conclusie te rechtvaardigen dat de ene een mens is en de andere niet.

Hier naderen we de kern van de kwestie: de menselijke natuur – dat was niet toevallig de basis van de natuurrechtelijke traditie. Het positivisme moest die basis wel ontkennen, ofwel met een Sartriaanse affirmatie van de grenzeloze plasticiteit van een in wezen onbepaalde menselijke natuur ofwel met een pseudo-biologische ontkenning van de realiteit van het onderscheid tussen mens en dier. Enerzijds: mensen zijn in wezen niets maar kunnen alles zijn, en dus is elk denkbaar normenstelsel in beginsel even geschikt voor de mens; anderzijds: mensen zijn dieren en voor dieren lost het normatieve zich op in conditionering, reacties op stimuli, “incentives”. Enerzijds een springplank voor utopische fantasieën waarin niet de realiteit maar de ene of de andere geprefereerde idealiteit als maatstaf voor alle dingen geldt; anderzijds een springplank voor universeel human resources management, m.a.w. beleid op alle fronten.

De incoherentie van dergelijke opvattingen mag duidelijk zijn: uit een universele uitspraak over de menselijke natuur (of het niet-bestaan daarvan) leidt men af dat mensen enkel en alleen recht kunnen ontlenen aan wat sommigen hun als “de ideale maatschappij” voorhouden, of dat het recht van mensen niet meer is dan een beleidsvariabele waarover op elk moment beslist kan worden door hen die toevallig de relevante overheidsposities in de maatschappelijke hiërarchie bekleden. Maar het is onzin te beweren dat er geen andere idee van recht is dan de door de maatschappelijke autoriteiten uitgevaardigde of gehandhaafde regels. Maatschappijen zijn menselijke constructies, hun regels en organisatiepatronen zijn dat ook; zij zijn niet de maatstaf van recht en onrecht maar zoals alle menselijke creaties dingen die wij aan die maatstaf kunnen afmeten.

Ik kan niet zeggen dat de incoherentie van het positivisme helemaal geen aandacht kreeg. De meest voorkomende respons was echter de introductie van immer nieuwe varianten ervan die alle onveranderlijk op dezelfde politiek-autoritaire patronen voortborduurden. De focus mocht dan verschuiven van “de wetgever” naar bijvoorbeeld “de rechter”, maar die “rechter” was nog altijd een overheidsfunctionaris die trouw moet zweren aan de grondwet en de wetten van zijn politieke meerderen, wie die meerderen ook zijn of zullen zijn en hoe die ook in de nabije of niet zo nabije toekomst met de grondwet en de wetten zullen omspringen. Of de focus mocht verschuiven naar internationale en supranationale tribunalen en instanties van regelgeving en beleidvoering maar eveneens zonder enige poging om na te gaan of er een logische reden was om die functionarissen ‘rechters’ en die regels ‘rechtsregels’ of ‘bronnen van recht’ te noemen. Zeggen dat recht is wat rechters doen is alleen relevant als men er zeker van kan zijn dat die rechters weten wat recht is en zich daar in hun activiteiten ook aan houden. Of recht is wat men zegt dat het recht is, dat is een vraag die wij niet kunnen beantwoorden door alleen maar te herhalen wat men daarover zegt.

In Het Fundamenteel Rechtsbeginsel heb ik dat hele gamma van het uiteindelijk op plat conformisme neerkomende positivisme de rug toegekeerd – en niet alleen het zogeheten ‘rechtspositivisme’: ook het sociaal-wetenschappelijke, in het bijzonder economische, positivisme en zijn eindeloze vermenigvuldiging van “modellen” die de menselijke wereld voorstellen als een functionele samenhang waarin beleidmakers en managers systematisch, dus met voorspelbare gevolgen, kunnen ingrijpen. In beide gevallen wordt wetenschap gepresenteerd als kennis van en voor beleidmakers. Dat was voor mij een abdicatie van de verantwoordelijkheid van het wetenschappelijk onderzoek. Bedenk hierbij dat in die tijd de plaag van het contractueel projectonderzoek, “wetenschap” op bestelling, nog lang niet de omvang had aangenomen die hij nu heeft.

Mijn uitgangspunt was dat recht en onrecht dingen zijn die mensen andere mensen aandoen en het kwam erop aan te weten of het mogelijk was die dingen van elkaar te onderscheiden en of er beginselen, dus fundamentele, onweerlegbare waarheden, zijn waarop men dat onderscheid kan terugvoeren. In haar meest elementaire vorm kunnen we de vraag naar het recht derhalve formuleren als ‘Wie heeft het recht over wie te beschikken?’. Die vraag is evident zinvol en als wij er een uniek en in een ten gronde gevoerde argumentatie onweerlegbaar antwoord op kunnen vinden dan hebben wij meteen het beginsel waar wij elke uitspraak over recht en onrecht aan kunnen toetsen. Ik ga hier niet de bewijsvoering herhalen die ik in Het Fundamenteel Rechtsbeginsel heb voorgesteld. Daar toon ik aan dat het enige beginsel dat derwijze verdedigbaar is, het beginsel is van het persoonlijke zelfbeschikkingsrecht en de persoonlijke verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid die daar onlosmakelijk mee verbonden zijn. Een beginsel dat voor enige persoon een apriori beschikkingsrecht over een of meer of alle andere personen impliceert is bewijsbaar onverdedigbaar in een rationele discussie, een argumentatie op tegenspraak — het is onverdedigbaar tout court. Op wie beschikkingsmacht uitoefent over een of meer anderen berust met andere woorden een vermoeden van onrecht. Dat vermoeden kan alleen weggenomen worden door te wijzen op het bestaan van heel specifieke omstandigheden zoals een overeenkomst of een nog onvereffende schuld. Het kan niet weggenomen worden met een sirenenzang van hetzij vrijheid voor het individu en aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid voor de maatschappij (anonieme andere mensen) hetzij zelfbeschikking voor de maatschappij (de politieke elite) en verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor het individu. Mensen dienen verantwoording af te leggen aan andere mensen, niet aan anonieme structuren.

Als ik het heb over zelfbeschikkingsrecht dan heb ik het over het fundamentele en onvervreemdbare recht van iedere persoon over zichzelf te beschikken, niet over iets wat men met veel vertoon uit de kast haalt wanneer de woorden ‘abortus’, ‘euthanasie’, ‘homo’ of ‘moslima’ vallen om het onmiddellijk daarna dan weer op te bergen. Het is hypocrisie met een grote mond het zelfbeschikkingsrecht te belijden naar aanleiding van een aantal zorgvuldig uitgekozen “politiek correcte” thema’s en er dan de neus voor op te halen als belastingen, subsidies, monetaire en financiële kwesties, contractuele en eigendomsverhoudingen, naamloze vennootschappen, gezondheid, hygiëne, onderwijs, opvoeding, woningcomfort, en wat al niet ter sprake komen. Het beginsel van de persoonlijke zelfbeschikking levert niet alleen de basis voor een objectieve kritiek van de staat als zodanig maar ook van allerlei regelingen, instellingen en praktijken die bij of krachtens de wet, of als gevolg van gevestigde jurisprudentie van de staatsrechtbanken heel gewoon zijn geworden.

Ik herinner mij een oud-collega, een fiscalist, die het lovenswaardige idee had opgevat om zich eens te buigen over de grondslagen van het zogeheten belastingrecht van de staat. Hij begon zijn essay heel terecht met de stelling van het zelfbeschikkingsrecht van mensen en eindigde triomfantelijk met de stelling dat de burgers de plicht hebben belasting te betalen. De incoherentie van zijn betoog was hem helemaal ontgaan: Als het om mensen gaat, die zelfbeschikkingsrecht hebben, dan heeft geen van hen enig belastingrecht over enig ander. Mensen hebben geen eenzijdig belastingrecht over anderen: punt. Gaat het daarentegen over burgers dan is elk grondslagenonderzoek naar hun rechten en plichten zonder meer tijdverlies. Burgers zijn immers geen reële maar fictieve personen, creaturen van de wet die hun rechten en plichten bepaalt. Er is wel een menselijke natuur maar geen burgerlijke natuur. Wij zouden net zo goed kunnen vragen wat de grondslagen zijn van de “rechten en plichten” van de koning of van een pion in het schaakspel. Antwoord: de regels van het schaakspel. Elke verwijzing naar het materiaal waaruit de schaakstukken zijn gemaakt – hout, glas, metaal, plastic, pixels op een computerscherm – is naast de kwestie. Dat de rol van burger voorlopig althans nog door mensen vervuld wordt – in tegenstelling bijvoorbeeld tot de rol van agent van politie, die meer en meer aan geautomatiseerde machines wordt toevertrouwd – is van geen betekenis voor het grondslagenonderzoek van de zogeheten rechten en plichten van de burger. Burgerlijke rechten zijn maatschappelijke rechten, dat wil zeggen een onstabiele mix van bevoegdheden, privilegies, immuniteiten en dergelijke, vastgesteld in regels die de maatschappelijke autoriteiten op elk moment eenzijdig kunnen wijzigen.

De burger, een artificiële persoon, in de plaats stellen van mensen is uiteraard de grote drogreden van het positivisme. Zij impliceert de verwarring van de begrippen ‘samenleving’ en ‘maatschappij’ die niet alleen de taal van politici en journalisten maar ook de dagelijkse communicatie teistert. Samenleven is een relatie onder natuurlijke personen, en de wetten van het samenleven zijn dan ook navenant natuurlijke wetten. Maatschappijen zijn daarentegen artificiële hiërarchische constructies, organisaties van posities, rollen en functies die voortdurend gereorganiseerd worden volgens de opinies, preferenties en doelstellingen van hen die het daarin tijdelijk voor het zeggen hebben en in de mate waarin zij hun gezag kunnen laten gelden. In de samenleving leven mensen hun eigen leven; in de maatschappij hebben zij hun voorgeschreven maatschappelijke rol te vervullen – en als zij dat niet doen dan lijden zij aan die uniek-maatschappelijke ziekte die de sociale (dus maatschappelijke) wetenschappen ‘deviantie’ noemen.

De Franse Verklaring van de rechten van de mens en van de burger had nog een filosofisch verdedigbaar uitgangspunt: de burger is een artificiële persoon wiens enige bestaansreden de betere bescherming van de natuurlijke rechten van natuurlijke personen is. De politieke of burgerlijke maatschappij zou dus in dienst moeten staan van het natuurrecht – het recht van natuurlijke personen. Vandaar de idee van de rechtsstaat: als de staat een rechtmatige functie heeft dan is het de handhaving van de natuurlijke rechtsorde, de orde van samenleven van natuurlijke personen. Helaas, opportunisten van allerlei slag zagen in die stelling een excuus om de staat allerlei buitenissige machten en monopolies toe te kennen die hem in de kortste keren transformeerden in een totale staat: een staat die zich bevoegd acht alles wat de meerderheid van het moment zint bij of krachtens de wet, dus met een machtswoord, te regelen.

De moderne staat is geen rechtsstaat. De terminologie van de politieke theorie van de rechtsstaat als de behoeder van de rechtsorde is nog wel in zwang (althans bij gelegenheid) maar zij is gereduceerd tot holle formules. Scheiding der machten? Ja, de uitvoerende macht ligt bij de regeringspartijen en de wetgevende macht bij de parlementaire meerderheidspartijen, maar het systeem werkt zo dat de twee nooit lang gescheiden kunnen zijn. De rechterlijke macht? Dat is een staatsmacht, ingevuld door ambtenaren die gezworen hebben trouw te zijn aan wat hun politieke meesters hun voorschrijven, wat dat ook moge zijn. Het vertegenwoordigingsbeginsel? Dat was ooit bedoeld om wetten te maken die de overheid zouden binden in de uitoefening van haar machtstaak, de handhaving van de rechtsorde. Nu is het een vrijbrief voor overheden om hun onderdanen te binden aan voorschriften die geen enkele rechtsgrond hebben.

Vertegenwoordiging is essentieel een relatie met drie partijen. Dat was ook zo in de klassieke formulering van het vertegenwoordigingsbeginsel: de volksvertegenwoordigers vertegenwoordigen de rechtmatige belangen van het volk tegenover de koning. Dat is nu niet langer het geval: de volksvertegenwoordigers – exacter partijvertegenwoordigers -- hebben de uitvoerende macht bij de koning weggenomen en toegekend aan parlementaire regeringen. Hier is vertegenwoordiging een binaire relatie: de meerderheidspartijen vertegenwoordigen het volk tegenover de regeringspartijen, dus tegenover zichzelf. De rol van democratische procedures is dan ook niet langer vertegenwoordigers maar wel meesters te kiezen. Een kop in de krant De Standaard drukte het enige tijd geleden, aan de vooravond van een parlementsverkiezing, zo uit: “Het komt erop aan goede bestuurders te kiezen.” Er is geen duidelijker manier om de ontkoppeling van democratie en rechtsstaat onder woorden te brengen.

Vanuit het perspectief van het recht, dus het beginsel van persoonlijke zelfbeschikking, betekent dat dat de staat hoegenaamd geen rechtsbescherming biedt. Integendeel, het gehele moderne politieke systeem gaat ervan uit dat het eigen natuurlijke zelfbeschikkingsrecht van mensen onveranderlijk moet wijken voor wat hun politieke meerderen hun als hun “maatschappelijke rechten” voorhouden. Voor zover beschikkingrechten daar deel van uitmaken is het niet het zelfbeschikkingsrecht maar de wettelijk geregelde bevoegdheid onrechtstreeks over anderen te beschikken: als stemgerechtigde burgers hebben mensen dan de bevoegdheid zich in het stemhokje eenzijdig uit te spreken over de vraag welke partij of partijbons in hun naam hun medemensen mag belasten met wetten en reglementen en beleid.

De grond van dat kies- of stemrecht is de zogeheten rechtsfilosofie (eigenlijk onrechtsfilosofie) van Thomas Hobbes, die voorhoudt dat iedereen recht heeft op alles, inclusief het leven van alle anderen: iedereen heeft het recht absolute heerser over alle anderen te zijn, maar het is een “recht” dat alleen de effectieve heersers kunnen uitoefenen. Alle anderen doen er verstandig aan zich daarbij neer te leggen. Als zij dat doen is er vrede, anders oorlog: de sterkste wint.

Die theorie van het absolute beschikkingsrecht dat mensen moeten neerleggen in handen van de heerser opdat er vrede zou zijn, is nu de basis van de moderne doctrine van de mensenrechten. Dat zijn eveneens “rechten” op ongeveer alles wat een mens zou kunnen begeren (behalve persoonlijke vrijheid en zelfbeschikking) maar die mensen niet zelf kunnen uitoefenen omdat dat tot onoplosbare conflicten zou leiden. Die “rechten” zijn immers niets anders dan onbepaalde aanspraken op schaarse goederen en op andere mensen. Het is onmogelijk die aanspraken allemaal tegelijkertijd te honoreren. Zij veronderstellen een rantsoeringsinstantie – de staat of een internationaal of supranationaal surrogaat -- die volgens de omstandigheden prioriteiten moet stellen en bepalen welke en wiens “mensenrechten” bij voorrang object van beleid zullen worden.

Paradoxen van het regime van “de mensenrechten” zijn er te veel om op te noemen: ooit geïntroduceerd als concretisering van Roosevelts vier vrijheden – vrijheid van spreken en geloof, van vrees en ellende – hebben zij ondertussen gediend als grondslag voor verregaande censuur van menings- en geloofsuitingen (denk “hate speech” en hoofddoeken) en voor de institutionalisering van een cultuur van de angst, waarin de media elke dag nieuwe bedreigingen voor leven, gezondheid en veiligheid publiceren en daarmee de overheden oproepen nog meer belastingen te heffen, nog meer beperkingen aan de persoonlijke vrijheid en het individuele zelfbeschikkingsrecht te stellen.

De mensenrechtendoctrine is een treffende uiting van het socialistische dogma dat “de” maatschappij primeert en dat mensen niet meer zijn dan excuses voor beleid die alleen “rechten” hebben als leden van “de” maatschappij. Maar “de” maatschappij blijkt dan altijd de politieke maatschappij te zijn, de organisatie van de dwangmacht, en dan nog ook altijd “deze” maatschappij: alleen het hier-en-nu telt.

Niets in Het Fundamenteel Rechtsbeginsel ontkent het recht van mensen om zich in maatschappijen te verenigen. De maatschappelijke filosofie van dat boek is evenwel dat maatschappijen hoe dan ook binnen de natuurlijke rechtsorde moeten passen. Wie maatschappelijke regelingen laat primeren boven het natuurlijk zelfbeschikkingsrecht van mensen heeft niet alleen geen benul van wat recht is maar draagt ook effectief zijn steentje bij aan de institutionalisering van onrecht.

Ten slotte: evenmin als zij die beweren er wel een te bezitten heb ik een glazen bol. Heeft het recht, en daarmee de vrijheid van zelfbeschikking, een toekomst? Of hebben alleen de regeldrift en de ambitie van zo velen om ergens van achter een bureau, nu met computer en aansluiting op ontelbare netwerken en gegevensbanken, het leven van anderen te leiden een toekomst? Ik doe niet aan voorspellingen. Van een ding ben ik echter zeker: zonder de educatieve inspanningen van mensen als de jonge bende van het Rothbard Instituut zou ik het zelfs niet wagen te vragen of recht en vrijheid een toekomst hebben. Ik dank hen en wens hun het allerbeste – en vooral dat zij zich niet laten ontgoochelen door de traagheid, de inertie der dingen.