| Boekbespreking Man, Economy and State | | Afdrukken | | E-mailadres |
| Geschreven door Jacques Meganck |
| donderdag, 04 oktober 1962 14:19 |
|
Uit het "Economisch en Sociaal Tijdschrift", 16de jaargang, nr. 4, Oktober 1962. Download of lees het boek bij het Amerikaanse Ludwig von Mises Institute Murray N. Rothbard. - Man, economy and state. Vols I & II. - Princeton, D. Van Nostrand Cy, Inc., 1962, XVIII, 987 blz.
Het empirische heeft de economie gedesintegreerd in zulke mate dat het geheel verloren is gegaan; en, paradoxaal genoeg, heeft het de economie vervormd door het invoeren van onjuiste en "short-cut" hypothesen met het doel de theorieën meer "testbaar " te maken. Marshall's weerzin van "long chains of deduction" zowel als de Cambridge-School met hun zin voor "short-cuts" heeft niet weinig tot deze afbraak bijgedragen. Anderzijds werd de verbale logica vervangen door de wiskunde. De dominerende econometrische vleugel van de wiskundige economie zoekt eveneens empirische verificatie en verenigt dus in zich de gebreken van beide methoden. Rothbard is van oordeel dat zelfs op het niveau van de zuivere theoretische integratie, de wiskunde volledig ongeëigend is "for any sciences of human action". Hij beweert formeel dat de wiskunde geen positieve bijdragen kan leveren voor de economische wetenschap. De recente overwinning van de econometrie op de wiskundige economie is wel een bewijs dat de zuivere wiskunde in de economie steriel is. Schrijver tracht met dit werk de praxeologische traditie voort te zetten en te verstevigen en leunt in die zin aan bij L. von Mises' Human Action (1949). Het is immers een feit dat werken van het type Wicksteed (1910), Taussig (1911), Fetter (1915) en Knight's Risk, Uncertainty and Profit (1921) praktisch van het toneel verdwenen zijn. De economie werd in hoge mate gedissociëerd, wat vooral te betreuren is op het vlak van de economische theorie. De nuttigheidstheorie, de monopoltietheorie, de theorie van de internationale handel enz... tot de lineaire programmering en de speltheorie, ontwikkelen zich elk in hun "splendid isolation". Onlangs heeft dit groeiend bewustworden van deze fragmentarisatie zich geuit in een vage interdisciplinaire tendens. In dit optiek vult dit werk een veertig jaar-diepe kloof. Hier hebben wij terug te doen met de economie als totaliteit, als volledig leergebouw. Het ganse corpus der economie wordt afgeleid uit een paar eenvoudige en apodictisch juiste axioma's: het fundamentele axioma der handeling - de mens wendt middelen aan om de door hem gekozen doeleinden te bereiken, en de beide subsidiaire postulaten; er bestaat een grote variatie in de menselijke en natuurlijke hulpbronnen en de vrijheid is een begerenswaadig goed. Het eerste hoofdstuk start met het handelingsaxioma en deduceert zijn onmiddelijke implicaties; de gevolgtrekkingen worden toegepast op de geïsoleerde Crusoë-economie. De maatschappelijke betrekkingen worden in het tweede hoofdstuk toegevoegd. Diverse typen van interpersonele betrekkingen worden geanalyseerd voor een ruileconomie met eigendomsrecht in een vrije maatschappij. Met dit tweede hoofdstuk begint het werk pas eigenlijk: de analyse van de economie van de vrije ruil (direct of indirect). Het geld begint in het derde hoofdstuk zijn rol te spelen: de indirecte ruil in een georganiseerde markt door het invoeren van een algemeen gangbaar geldsysteem. Hoofdstuk 4 behandelt de verbruikseconomie en de prijsvorming der consumptiegoederen. De productie in de vrije markt wordt geanalyseerd in de hoofdstukken van 5 tot 9. Een der kenmerken van de geboden consumptie- en productietheoriën is de invloed van Prof. Fetter's totnogtoe verwaarloosde rentetheorie. De zuivere tijdsvoorkeurtheorie van de interest naar Fetter en Mises wordt gesynthetiseerd met de rentetheorie van Fetter, Met de Oostenrijkse theorie des productiestructuur en met de scheiding tussen oorspronkelijke en geproduceerde productiefactoren. Een radicaal kenmerk van de analyse der productie van Rothbard is de volledige breuk met de modieuse short-run theorie van de onderneming; in de plaats daarvan komt een algemene theorie van de marginale waardeproductieviteit en van de kapitalisatie. Het is een algemeen evenwichtsanalyse in de dynamisch-Oostenrijkse traditie. In tegenstelling tot de statisch Walrasiaanse tendens. Het tiende hoofdstuk stelt een volkomen nieuwe monopolietheorie voor, die er op neer komt dat geen monopolie en dus geen monopolieprijs kan voorkomen in een vrije markt. Ook de leer der monopolistische mededinging komt aan de orde. De theorie der vrije geldmarkt vindt in het elfde hoofdstuk een plaats, samen met een uitgebreide bespreking van de Keynesiaanse theorieën. Na de theorie der volkomen vrije markt te hebben ontwikkeld, keert schrijver zich in het laatste hoofdstuk tot het toepassen van de praxeologische analyse op de systematische discussie van de diverse vormen en graden van markt-interventie en de consequenties daarvan. Hoofdstuk 12 brengt een interventie-topologie, bespreekt de directe en indirecte gevolgen en effecten op de nuttigheid en stelt een summiere analyse voorop van de verschillende typen van tussenkomst, met inbegrip van de prijscontrole, het toekennen van monopolie, het fiscaal regime, de inflatie, de overheidsonderneming en de overheidsuitgaven. Hoofdstuk en boek besluiten met een waardering van de vrije markt-economie, in tegenstelling tot de interventionistische en andere dwang-systemen. Dit werk vormt een betrekkelijk uitvoerige en systematische uiteenzetting van de grondslagen en leerstellingen van de economische wetenschap. In principe wordt geen vòòrkennis vereist van de economie. Langs deductieve weg, waarbij elke fase in het redeneringsproces expliciet als evident naar voor treedt, komt de auteur tot gevolgtrekkingen en besluiten, welke logisch besloten liggen in het fundamenteel axioma van het menselijk handelen. Rothbard's kritiek op de interpersonele welvaartsvergelijkingen, het meten der economische verschijnselen, de economische groei, overcapaciteit, sociale zekerheid, centrale planning en oligopolie is bijzonder merkwaardig, terwijl het wiskundig apparaat bijna volledig werd verwaarloosd. Onder de voornaamste economisten, wier leerstellingen aan een grondige kritiek worden onderworpen vallen vooral Fisher, Galbratih, Keynes, Marshall en Schumpeter te vernoemen. Het volgen van de tekst en het begrijpen van de gedachtegang wordt in hoge mate vereenvoudigd door de veelvuldige, klare grafische voorstellingen van de hoofdtypen der economische relaties. J. Meganck. |



De enorme vooruitgang van de economische wetenschap heeft geleid naar een min of meer doorgedreven specialisatie, wat in vele gevallen een inkrimping van het gezichtsveld betekende. De economie wordt over het algemeen niet meer beschouwd als een leergebouw: vroeger zag men de economie als een logische structuur en werd zij fundamenteel beschouwd als een deductieve wetenschap, die gebruik maakte van de verbale logica. Gebaseerd op enkele axioma's werd het gebouw van het economisch denken stuk voor stuk door déductie geconstrueerd. De Oostenrijkse economisten waren in deze zin de klassieke vertegenwoordigers van de praxeologische methode. Tegenwoordig echter heeft de dominerende epistemologie de praxeologie overboord geworpen ten voordele van empirische en al té theoretische methoden.